HR 7 september 2012, LJN BW5355 (P1/Stichting PVS)

Art. 2:299 BW ziet op een stichting die geen bestuurders meer heeft, of niet langer het in de statuten voorgeschreven minimumaantal bestuurders heeft. Als het bestuur voltallig is maar de bestuurstaken heeft verdeeld op een wijze die niet strookt met de statuten, doet zich de in het genoemde artikel bedoelde situatie niet voor en is de rechter niet bevoegd te voorzien in de vervulling van een “ledige plaats”.

Het gaat in deze zaak kort samengevat om het volgende. De statuten van de Stichting Parkeerverwijssysteem Den Haag (PVS) bepalen dat PVS ten minste twee bestuursleden heeft. De statuten regelen daarnaast dat één bestuurslid wordt benoemd door de gemeente en de overige door de instellingen die in het PVS participeren en die daartoe met een meerderheid van ten minste twee derde moeten besluiten. Bij gebreke van een benoeming van een bestuurslid binnen twee maanden na het ontstaan van de vacature door degene(n) die in de desbetreffende benoeming zou(den) moeten voorzien (gemeente dan wel instellingen), voorzien de statuten in een benoeming door het bestuur. Verder bepalen de statuten dat het bestuur uit zijn midden een voorzitter, secretaris en penningmeester kiest en dat de functies van secretaris en penningmeester in één persoon kunnen worden verenigd. Vanaf een bepaald moment fungeerde het door de gemeente benoemde bestuurslid A als voorzitter én penningmeester. Na het opstappen van de door de instellingen benoemde bestuurder, heeft A (kennelijk: bij gebreke van een nieuwe benoeming door de instellingen) B aangesteld als tweede bestuurslid.

Een van de participanten in PVS, P1 (een exploitant van een aantal Haagse parkeergarages), heeft zich op het standpunt gesteld dat A in strijd met de statuten zowel de functie van voorzitter als die van penningmeester vervult en heeft daarom de rechter verzocht het bestuur aan te vullen door benoeming van C en/of D tot bestuurder. P1 heeft zich daartoe beroepen op art. 2:299 BW. De rechtbank en het hof hebben het verzoek afgewezen nu volgens hen zich geen geval voordoet als bedoeld in dat artikel.

Art. 2:299 BW bepaalt dat wanneer het door de statuten voorgeschreven bestuur geheel of gedeeltelijk ontbreekt en daarin niet overeenkomstig de statuten wordt voorzien, de rechtbank, op verzoek van iedere belanghebbende of het openbaar ministerie kan voorzien in de vervulling van de ledige plaats. In cassatie is door P1 aan de orde gesteld of deze bepaling óók van toepassing is op een geval waarin een stichting weliswaar het voorgeschreven minimumaantal bestuurders heeft, maar waarin (zoals P1 in deze zaak heeft gesteld) niet wordt voldaan aan een statutaire regeling van taakverdeling binnen het bestuur. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag in ontkennende zin en overweegt daartoe als volgt:

“De bepaling van art. 2:299 BW geeft de rechter de bevoegdheid om in gevallen waarin het statutair voorgeschreven bestuur van een stichting geheel of gedeeltelijk ontbreekt ‘in de vervulling van de ledige plaats te voorzien’. De bepaling ziet dus op een stichting die geen bestuurders meer heeft, of niet langer het in de statuten voorgeschreven minimumaantal bestuurders heeft. Indien het bestuur voltallig is maar de bestuurstaken heeft verdeeld op een wijze die niet strookt met de statuten, doet zich de in art. 2:299 BW bedoelde situatie van een geheel of gedeeltelijk ontbreken van het door de statuten voorgeschreven bestuur niet voor en is de rechter niet bevoegd te voorzien in de vervulling van een ‘ledige plaats’.”

In zijn conclusie voor het hier besproken arrest zet Advocaat-Generaal mr. L. Timmerman uiteen dat deze uitleg van art. 2:299 BW niet alleen strookt met de tekst van de wet (“voorzien in een ledige plaats”), maar bovendien bevestiging vindt in de historische achtergrond van het artikel. In dat verband wijst hij erop dat de aanleiding voor de regeling was dat het in het verleden herhaaldelijk voorkwam dat een stichting geen bestuur meer had, als gevolg waarvan zich een gewoonterecht ontwikkelde dat er in voorzag dat de rechter bestuurders kon benoemen. Later is deze bevoegdheid gecodificeerd in de art. 13 van de Wet op stichtingen uit 1956, een (nagenoeg identieke) voorganger van het huidige art. 2:299 BW. Op basis van deze ontstaansgeschiedenis concludeert de A-G dat de ratio van het artikel is een oplossing te bieden wanneer het benoemen van stichtingbestuurders stilvalt. Dit kan zich volgens de A-G zowel voordoen doordat het orgaan dat bevoegd is tot benoeming niet (meer) bestaat, als wanneer dit wel bestaat maar verzuimt tot benoeming over te gaan. Of de onderling te bepalen taakverdeling wel juist is, is echter een wezenlijk andere kwestie.

Share This