HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1679 (Clay Hill c.s./Unilever)

De verkrijging van eigen aandelen door een NV is, ter bescherming van haar schuldeisers, aan wettelijke beperkingen onderworpen. De statuten kunnen de verkrijging van eigen aandelen door een NV uitsluiten of beperken, maar de wet bepaalt niet dat een verplichting van de NV tot inkoop van aandelen een statutaire grondslag behoeft.

Achtergrond

Unilever heeft op 9 juni 1999 in het kader van een dividenduitkering ongeveer 211.500.000 cumulatief preferente aandelen geplaatst met een nominale waarde van fl. 0,10 en een rekenwaarde van fl. 14,50. Deze aandelen, die voor houders van gewone aandelen Unilever een optioneel alternatief vormden voor een dividend in contanten, werden op de Amsterdamse beurs verhandeld en gaven recht op een in de statuten van Unilever nader bepaald dividend. Op grond van de statuten kon de raad van bestuur van Unilever na een verloop van vijf jaren na de eerste uitgifte besluiten tot conversie van de preferente aandelen in gewone aandelen volgens een in de statuten bepaalde formule, gevolgd door intrekking van de preferente aandelen onder terugbetaling van de dan geldende rekenwaarde. Deze formule bestond eruit dat bij de koers van een gewoon aandeel ten tijde van de conversie van € 73,18 of hoger, voor elk preferent aandeel gewone aandelen werden verkregen voor een waarde van € 6,58 (i.e. de oorspronkelijke rekenwaarde van fl. 14,50), en als die koers lager lag voor een lagere waarde.

Op 24 maart 2004 heeft Unilever middels een persbericht haar voornemen kenbaar gemaakt om in het eerste kwartaal van 2005 de preferente aandelen te converteren en in te trekken. Op deze aankondiging volgde een forse koersdaling van de preferente aandelen. Bij de conversie op 15 februari 2005 werd, conform de formule in de statuten, voor elk preferent aandeel voor een waarde van € 4,55 aan gewone aandelen ontvangen. De resterende rekenwaarde bedroeg € 0,05. De conversiewaarde en resterende rekenwaarde bedroegen tezamen dus € 4,60. Dat is € 1,98 minder dan de oorspronkelijke rekenwaarde (€ 6,58). Op 13 juni 2005 heeft Unilever de preferente aandelen ingetrokken onder betaling van €0,05 per preferent aandeel.

Clay Hill c.s. kochten kort voor de conversie en daarna preferente aandelen. Op 8 november 2006 heeft Unilever – zonder aansprakelijkheid te erkennen – een schikking getroffen met de aandeelhouders die op 24 maart 2004 (de datum van het voornoemde persbericht) preferente aandelen bezaten. Deze konden aanspraak maken op een compensatie van € 1,38 (plus €0,16 rente) per preferent aandeel. Van deze regeling konden eiseressen echter niet profiteren, aangezien zij de preferente aandelen na 24 maart 2004 hadden verworven.

Feitelijke instanties

In dit geding vorderen Clay Hill c.s., kort gezegd, veroordeling van Unilever tot betaling van € 1,98 per door hen verworven preferent aandeel – dat wil zeggen het verschil tussen de oorspronkelijke en uiteindelijke rekenwaarde per preferent aandeel –, alsmede een verklaring voor recht dat Unilever jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld. Eiseressen leggen aan deze vorderingen ten grondslag dat Unilever niet heeft voldaan aan haar verplichting jegens de houders van de preferente aandelen om die na vijf jaar na uitgifte terug te kopen tegen € 6,58, en dat Unilever onrechtmatig heeft gehandeld door beleggers onjuist en onvolledig te informeren.

De rechtbank wees de vorderingen van Clay Hill c.s. af. Het Hof heeft dit eindvonnis bekrachtigd. Het Hof overwoog daartoe onder meer dat om een terugkoopverlichting van Unilever te kunnen aannemen in beginsel is vereist dat deze uit de statuten blijkt:

“2.11 Om een terugkoopverplichting van Unilever met betrekking tot al de preferente op de beurs verhandelbare aandelen aan te kunnen nemen, is in beginsel vereist dat die verplichting uit de statuten blijkt. Dat volgt uit de voor naamloze vennootschappen ingevolge de wet vereiste openbaarheid van inrichting, welke er onder meer toe noopt dat in elk geval de belangrijke (wederzijdse) rechten en plichten die aan aandelen zijn verbonden algemeen kenbaar zijn. (…).”

In de statuten van Unilever was de terugkoopverplichting niet opgenomen. Ook overigens volgde volgens het Hof uit de door Clay Hill c.s. gestelde uitlatingen en gedragingen van de zijde van Unilever niet dat op Unilever een verplichting tot inkoop van preferente aandelen was komen te rusten. Tevens was het Hof van oordeel dat bij Clay Hill c.s. niet het vertrouwen kon bestaan dat Unilever tot terugkoop zou overgaan. Op het moment van aankoop van de preferente aandelen door eiseressen was immers al bekend dat Unilever niet tot terugkoop zou overgaan, wat had geresulteerd in een forse daling van de koers van de preferente aandelen. Clay Hill c.s. hebben derhalve geen recht op schadevergoeding wegens het gestelde beschaamd vertrouwen. Tot slot oordeelde het Hof dat de opvatting dat het recht op schadevergoeding aan de kwaliteit van de preferent aandeelhouder verbonden was, geen steun vindt in het recht.

Cassatie

In cassatie klagen eiseressen over ’s Hofs arrest met een middel dat bestaat uit elf onderdelen, die weer in subonderdelen uiteen vallen. De Hoge Raad komt enkel toe aan een oordeel over onderdeel I.a, dat klaagt dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat om een terugkoopverplichting van Unilever met betrekking tot al de preferente aandelen aan te kunnen nemen, in beginsel vereist is dat die verplichting uit de statuten blijkt. Volgens het onderdeel behoeft een dergelijke terugkoopverplichting namelijk niet in beginsel uit de statuten te blijken, maar kan zij evenzeer volgen uit andere verklaringen of gedragingen van de vennootschap.

Deze rechtsklacht treft doel. De Hoge Raad wijst erop dat hoewel de verkrijging van eigen aandelen door een NV aan beperkingen is onderworpen ter bescherming van haar schuldeisers (2:98, 2:98a en 2:98b BW), de wet geen statutaire grondslag voor een verplichting van de NV tot inkoop van aandelen vereist:

“3.3.2 (…) Weliswaar kunnen de statuten de verkrijging door de NV van eigen aandelen uitsluiten of beperken, maar de wet bepaalt niet dat een verplichting van de NV tot inkoop van aandelen (in beginsel) een statutaire grondslag behoeft. Evenmin vloeit dit uit de wet voort. Voor zover het onderdeel hierover klaagt, is het gegrond.”

Het slagen van de klacht van onderdeel I.a kan eiseressen echter niet baten, aangezien de Hoge Raad het oordeel van het Hof dat op Unilever geen verplichting was komen te rusten tot inkoop van de preferente aandelen in stand laat. Het onderdeel kan derhalve wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Ook de overige klachten van het middel zijn vruchteloos voorgedragen. De Hoge Raad doet de zaak verder af met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

De uitspraak van de Hoge Raad is in lijn met de conclusie van Advocaat-Generaal Timmerman (§§ 2.4-2.6).

Share This