HR 23 maart 2012, LJN BV0608, BV0609 en BV0612 (Echteld c.s./Bunnik)

Op grond van art. 26 Wet voorkeursrecht gemeenten kan een gemeente een voorkeursrecht vestigen op een perceel grond. Gevolg hiervan is dat indien de grond ondanks het bestaan van het voorkeursrecht wordt overgedragen, de koopovereenkomst op instigatie van de gemeente kan worden vernietigd.

In dit geval was in 2007 een koopovereenkomst in strijd met het (op dat moment geldende) voorkeursrecht gesloten en heeft de gemeente (ook in 2007) een verzoekschrift ingediend om deze koopovereenkomst nietig te verklaren. Naar aanleiding van een later gedaan verzoek te vervallenverklaring van de verkopers, is het voorkeursrecht in 2010 vervallen verklaard met als ingangsdatum 26 juni 2007 (deze datum lag vlak na het aangaan van de koopovereenkomst maar voor het inroepen van de nietigheid door de gemeente).

De vraag rees op welk moment het voorkeursrecht moet gelden om (met succes) nietigverklaring te kunnen vorderen. Is dat het moment van het verrichten van de rechtshandeling (het sluiten van de koopovereenkomst) of het moment dat de nietigverklaring wordt ingeroepen door de gemeente? De Hoge Raad besliste het eerste.

Volgens de Hoge Raad volgt uit de tekst van het artikel dat het bij de beoordeling van de mogelijke nietigheid van de desbetreffende rechtshandeling aankomt op de stand van zaken – waaronder de voorkeurspositie van de desbetreffende gemeente – ten tijde van het verrichten van die rechtshandeling. Deze tekst biedt volgens de Hoge Raad geen aanknopingspunt voor het stellen van de eis dat die gemeente ook nog ten tijde van het inroepen van de nietigheid in een voorkeurspositie moet verkeren. Zodanig aanknopingspunt volgt volgens de Hoge Raad evenmin uit de strekking van het artikel. De omstandigheid dat het artikel strekt ter bescherming van de voorkeurspositie van de gemeente tegen rechtshandelingen die aan deze positie afbreuk doen, staat er volgens de Hoge Raad geenszins aan in de weg dat die rechtshandelingen nog kunnen worden aangetast op een moment dat het voorkeursrecht niet meer geldt, reeds omdat de dreiging van een zodanige aantasting kan bijdragen tot de effectieve werking van het voorkeursrecht.

De gemeente is in cassatie bijgestaan door de auteur en Ruben Wiegerink.

Share This