HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:250 (Onteigende/Gemeente Weert)

De kosten van deskundige bijstand in de administratieve fase van het onteigeningsgeding kunnen op grond van art. 50 lid 4 Onteigeningswet voor vergoeding in aanmerking komen. De dubbele redelijkheidstoets moet daarbij worden toegepast. Wederbeleggingskosten komen voor vergoeding in aanmerking als het redelijke belang van de onteigende, gelet op de beleggingsvooruitzichten en op diens persoonlijke omstandigheden, herbelegging in onroerende zaken (in dit geval: landbouwgrond) vorderde.

Deze zaak betreft de hoogte van de schadeloosstelling voor een onteigening in de gemeente Weert. De onteigende heeft de onteigende percelen in gebruik gehad als onderdeel van zijn agrarisch bedrijf. Ten tijde van de onteigening was het bedrijf al gestaakt. De percelen waren niet verpacht.

De rechtbank Limburg heeft de onteigende (1) geen vergoeding toegekend voor wederbeleggingskosten en (2) geen vergoeding voor de kosten van deskundige bijstand in de administratieve fase. Het cassatieberoep van de onteigende is tegen deze beide beslissingen gericht. De Hoge Raad is het op beide punten oneens met de Rechtbank.

Wederbeleggingskosten

De Rechtbank is ervan uitgegaan dat de onteigende de onteigende percelen als duurzame belegging aanhield. In dat geval komen de kosten van herbelegging voor vergoeding in aanmerking indien het redelijke belang van de onteigende, gelet op de vooruitzichten van de desbetreffende wijze van beleggen en op diens persoonlijke omstandigheden, herbelegging in onroerende zaken vorderde (zie bijv. HR 6 juni 2003, NJ 2003/550 en HR 25 november 2011, NJ 2012/33). De Rechtbank heeft echter volstaan met de overweging dat bij het afstoten van de grond een vergoeding daarvoor kan worden verkregen die veel hoger is dan de agrarische waarde. Daarmee is volgens de Hoge Raad niet uitgesloten dat het redelijke belang van de onteigende op het tijdstip van de onteigening vergde dat hij zou herbeleggen in onroerende zaken (in plaats van de percelen afstoten), gelet op de vooruitzichten van belegging in landbouwgrond (bijvoorbeeld in verband met de te verwachten prijsontwikkeling van dergelijke grond) of persoonlijke omstandigheden. Over zodanige vooruitzichten en omstandigheden heeft de Rechtbank niets vastgesteld, zodat haar beslissing op dit punt volgens de Hoge Raad niet in stand kan blijven.

Kosten deskundige bijstand administratieve fase onteigening

De kosten van bijstand in de bestuurlijke fase kunnen, anders dan de Rechtbank oordeelde, wel voor vergoeding in aanmerking komen, zo beslist de Hoge Raad in een aantal principiële overwegingen:

  • De aan een onteigeningsbesluit voorafgaande bestuurlijke procedure is een voorbereidingsprocedure, waarop Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Dit is een procedure die losstaat van het geding tot onteigening. De Awb biedt echter geen mogelijkheid voor een kostenveroordeling in die procedure.
  • Het recht van eigendom is een door art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM gewaarborgd grondrecht. Onteigening is een zeer ingrijpend instrument dat de overheid ten dienste staat. De voorbereidingsprocedure van een onteigeningsbesluit kan daarom wat betreft de rechtvaardiging van het inschakelen van deskundige bijstand niet zonder meer met andere bestuurlijke voorbereidingsprocedures worden gelijkgesteld, aldus de Hoge Raad. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat de onteigende in de procedure voor de rechtbank waarin het onteigeningsbesluit wordt getoetst, steeds aanspraak kan maken op een kostenvergoeding voor deskundige bijstand in die procedure, ook indien deze niet leidt tot vernietiging van dat besluit.
  • Het verweer in de bestuurlijke fase staat in een onmiskenbaar rechtstreeks verband met het onteigeningsgeding. De rechtbank mag zelfs in beginsel geen acht slaan op verweren tegen de onteigening die niet in de bestuurlijke fase naar voren zijn gebracht (HR 20 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4852, NJ 2000/418). Deskundige bijstand in de bestuurlijke fase kan dus noodzakelijk zijn om effectief verweer in rechte te kunnen voeren.
  • Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 50 lid 4 Ow volgt dat kosten van rechtsbijstand en bijstand door andere deskundigen voor vergoeding in aanmerking komen, ongeacht of die kosten voor of tijdens het onteigeningsgeding voor de rechtbank zijn gemaakt, en dat aan de vergoeding van deze kosten geen nadere eis is gesteld dan dat zij naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid zijn gemaakt (zie HR 6 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:AB9358, NJ 1991/818). Deze wetsgeschiedenis laat toe dat ook de kosten van bijstand in de bestuurlijke fase worden aangemerkt als preprocessuele kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Er is volgens de Hoge Raad, kortom, geen grond om de onteigende principieel een aanspraak te ontzeggen op vergoeding van kosten van deskundige bijstand in de bestuurlijke procedure die uitmondt in het onteigeningsbesluit. De kosten van deze bijstand kunnen dus op grond van art. 50 lid 4 Ow voor vergoeding in aanmerking komen. Dat betekent echter niet dat de kosten van bijstand in de bestuurlijke fase van de onteigeningsprocedure steeds (in volle omvang) moeten worden vergoed. De onteigeningsrechter toetst immers of dergelijke kosten redelijkerwijs zijn gemaakt en of deze binnen een redelijke omvang zijn gebleven. De rechter heeft daarbij een grote vrijheid, terwijl art. 50 lid 4 Ow hem in belangrijke mate ontheft van zijn motiveringsplicht (zie rov. 3.4 van HR 6 maart 1991, alsmede HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0547, NJ 2013/303).

Waarnemend Advocaat-Generaal Van Oven was in zijn conclusie op het punt van de vergoeding van de kosten van deskundige bijstand in de administratieve fase een andere mening toegedaan . Hij meende (na bespreking van diverse gezichtspunten, waarvan er veel ook zijn terug te vinden in de overwegingen van de Hoge Raad) dat de voorbereiding van het Koninklijk Besluit tot onteigening in een te ver verwijderd verband staat met de onteigeningsprocedure bij de rechtbank. Zijns inziens was de onteigeningsprocedure, mede vanwege het op spoed gerichte karakter van de procesgang, niet geschikt om de rechter te laten beslissen of, en zo ja, in hoeverre het redelijke zin had voor de onteigende om door tussenkomst van een deskundige gebruik te maken van de inspraakmogelijkheden bij de voorbereiding van het onteigeningsbesluit en in hoeverre de daarvoor gemaakte kosten redelijk zijn. Hij wees er voorts op dat eerder is beslist dat art. 50 Ow niet van toepassing is op de cassatieprocedure (HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0415 en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4119 (Ballast Nedam/Staat)). De Hoge Raad achtte deze aspecten kennelijk niet zwaarwegend genoeg en besliste anders.

Share This