HR 23 december 2011, LJN ECLI:NL:HR:2011:BU4934 (Exploitatiemaatschappij Westfriesland B.V. c.s./gemeente Hoorn)

In art. 54i lid 4 Onteigeningswet is opgenomen dat de rechtbank voor de onteigende partij en bekende derden-belanghebbenden een som als zekerheid bepaalt voor de voldoening van de aan ieder van hen verschuldigde schadeloosstelling. Voor het doen van afstand van dit wettelijk recht op zekerheidstelling is een ondubbelzinnige wilsverklaring vereist.

Over de door haar te stellen zekerheid voor het verschil tussen de aangeboden schadeloosstelling en het voorschot,  heeft de gemeente in deze onteigeningsprocedure bij pleidooi opgemerkt dat zij goed is voor haar geld en dat niet gevreesd hoeft te worden dat zij niet overgaat tot betaling van het resterende deel van de schadeloosstelling. Hierop heeft de onteigende partij niet meer gereageerd, hoewel dat, volgens de rechtbank, op haar weg lag. Onder deze omstandigheden zag de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de gemeente zekerheid moet te stellen.

De Hoge Raad casseert dit oordeel. De rechtbank heeft miskend dat art. 54i lid 4 Ow “ongeclausuleerd imperatief is geformuleerd“. Uit de wetsgeschiedenis bij deze bepaling blijkt dat zekerheidstelling op constitutionele gronden niet kan worden beperkt tot de gevallen waarin de onteigende partij daarom verzoekt, daar schadeloosstelling (betaald of) verzekerd moet zijn tenzij de rechthebbende afstand doet van het recht op zekerheidstelling. Mede gelet daarop heeft de rechtbank volgens de Hoge Raad ten onrechte overwogen dat het op de weg van de onteigende partij lag te reageren op het door de gemeente bij pleidooi aangevoerde. Weliswaar kan de onteigende partij afstand doen van het haar wettelijke toekomende recht op zekerheidstelling, maar daarvoor is een ondubbelzinnige wilsverklaring van de rechthebbende vereist. De enkele omstandigheid dat de onteigende partij niet heeft gereageerd op stellingen als in dit geding door de gemeente aangevoerd, kan niet als zodanig worden aangemerkt, zo oordeelt de Hoge Raad.

Uit dit oordeel blijkt dat de Hoge Raad streng toeziet op naleving van de formele vereisten die in onteigeningsprocedures gelden (zie voor een ander voorbeeld daarvan de slotzin van rov. 3.4 van HR 14 oktober 2011, LJN ECLI:NL:HR:2011:BQ7056, (Staat/X c.s.), waarin de Hoge Raad ingaat op de toepassing van art. 54m Ow, hier besproken op cassatieblog).

De Hoge Raad bepaalt ten slotte de zekerheid zelf alsnog en baseert zich daarbij op de door de gemeente in haar schriftelijke toelichting gemaakte berekening (te weten het bedrag van de aangeboden schadeloosstelling minus het voorschot), die uitkomt op € 10.223,80. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om een hoger bedrag te bepalen. De zekerheid kan worden gesteld door storting van genoemd bedrag op de derdengeldenrekening van een notaris, nu dit voorstel van de gemeente de Hoge Raad redelijk voorkomt.

Share This