Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Rechtbankgriffier moet vaker non-cassatieakte in onteigeningszaken afgeven

CB 2011-70 Geplaatst op 18 oktober 2011 door

HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7056, (Staat/X c.s.)

Als een vonnis van vervroegde onteigening in kracht van gewijsde is gegaan doordat de tijdig ter griffie afgelegde cassatieverklaring niet binnen twee weken is gevolgd door betekening daarvan aan en dagvaarding van de onteigenende partij, moet de griffier desgevraagd onverwijld de verklaring van non-cassatie aan de onteigenende partij afgeven. Dat geldt ook als na afloop van de termijn van twee weken alsnog betekening van de cassatieverklaring en dagvaarding in cassatie heeft plaatsgevonden.

In onteigeningszaken wordt cassatieberoep ingesteld door bij de griffie van de rechtbank een verklaring af te leggen waarbij cassatieberoep wordt ingesteld. Die verklaring moet echter twee weken later gevolgd zijn door betekening van de verklaring aan de onteigenende partij en dagvaarding van die partij.

In deze zaak heeft de rechtbank Den Bosch bij vonnis van 10 november 2010 op vordering van de Staat de vervroegde onteigening uitgesproken van een aantal onroerende zaken ten behoeve van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen. Tegen dat vonnis hebben de onteigenden cassatieberoep ingesteld door op 22 november 2010, dus binnen veertien dagen na het vonnis, een cassatieverklaring (als bedoeld in art. 52 lid 2 Onteigeningswet (Ow)) af te leggen bij de griffie van de rechtbank. Deze cassatieverklaring is echter niet binnen de in art. 54l lid 1 Ow bepaalde termijn van twee weken samen met een cassatiedagvaarding aan de Staat betekend, maar pas op 4 januari 2011.

Als gevolg daarvan verklaart de Hoge Raad de onteigenden niet-ontvankelijk in hun cassatieberoep: het vonnis van de rechtbank was, aldus de Hoge Raad, op 9 december 2010 in kracht van gewijsde is gegaan, nu op die dag nog geen cassatiedagvaarding was betekend. Dat oordeel is geen grote verrassing (zie voor eenzelfde oordeel het arrest van 20 mei 2011), maar de Hoge Raad geeft wel een interessante overweging ten overvloede, die van belang is voor de inschrijving van het onteigeningsvonnis in de openbare registers.

Een vonnis waarbij de vervroegde onteigening is uitgesproken kan, nadat het in kracht van gewijsde is gegaan, worden ingeschreven in de openbare registers. Het vonnis moet worden ingeschreven binnen twee maanden nadat het onherroepelijk is geworden (art. 54m Ow). Voor die inschrijving is een verklaring nodig van de griffier van de rechtbank, die inhoudt dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan (art. 25 lid 1, aanhef en onder a, Kadasterwet).

In de onteigeningspraktijk bleek dat griffies niet steeds bereid waren tot afgifte van deze verklaring, als de onteigende had verklaard cassatieberoep in te stellen, maar de cassatieverklaring niet binnen twee weken gevolgd werd door een cassatiedagvaarding. Daarmee ontstond een soort vacuüm: het vonnis was in wezen al onherroepelijk, maar kon niet  in de registers worden ingeschreven. Een vacuüm met belangrijke rechtsgevolgen, want het moment van inschrijving bewerkstelligt de daadwerkelijke overgang van de eigendom op de onteigenende partij én bepaalt de peildatum voor de berekening van de schadeloosstelling.

De Hoge Raad heeft in dit arrest geoordeeld dat indien een onteigeningsvonnis als bedoeld in art. 54i Ow in kracht van gewijsde is gegaan doordat tijdig ter griffie een cassatieverklaring is afgelegd, maar deze niet tijdig is gevolgd door een cassatiedagvaarding, de griffier van de rechtbank de verklaring, inhoudende dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, desgevraagd onverwijld aan de onteigenende partij behoort af te geven. Dat geldt volgens de Hoge Raad ook indien na afloop van de cassatiedagvaardingstermijn alsnog betekening van de cassatieverklaring en de cassatiedagvaarding plaatsvindt. Daarmee geeft de Hoge Raad een voor de onteigeningspraktijk nuttige aanwijzing.

Art. 54m Ow biedt naar het oordeel van de Hoge Raad echter, als de griffier nalaat de bedoelde verklaring af te geven, geen ruimte om het vonnis in de openbare registers in te schrijven binnen een termijn van twee maanden nadat de Hoge Raad de onteigende partij in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Indien de inschrijving niet heeft plaatsgevonden binnen twee maanden nadat het onteigeningsvonnis in kracht van gewijsde is gegaan (doordat de cassatiedagvaarding en de cassatieverklaring niet tijdig zijn betekend), zal inschrijving dus pas kunnen gebeuren nadat de rechtbank een vonnis heeft gewezen waarin de schadeloosstelling voor de onteigende is vastgesteld en dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, zo volgt uit dit laatste oordeel.

De Staat is in deze zaak bijgestaan door Martijn Scheltema en de auteur.

email print