HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT685 (Staat/KPN c.s.)

In deze zaak hebben de Staat en verschillende gemeenten gezamenlijk opdracht gegeven voor de uitvoering van werkzaamheden met betrekking tot een aantal percelen grond. Deze waren aanvankelijk eigendom van de gemeenten, en zijn nadien aan de Staat overgedragen. Centraal staat de vraag of in die situatie de eigenaren van kabels en leidingen in de grond uit hoofde van art. 5.8 lid 1 Telecommunicatiewet de door de werkzaamheden noodzakelijke kosten van verplaatsing van hun kabels en leidingen moeten vergoeden. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof, dat had geoordeeld dat in dit geval de verplaatsingskosten voor rekening van de Staat en de gemeenten blijven.

Art. 5.8 van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) bevat het uitgangspunt dat de eigenaar van een perceel het leggen van kabels en leidingen in of onder dat perceel moet gedogen. Daar staat dan tegenover dat wanneer “vanwege” de eigenaar (zoals art. 5.8 Tw het formuleert) werkzaamheden plaatsvinden in de grond, de kabels en leidingen door, en vooral ook: op kosten van de kabel- en leidingbeheerders moeten worden verplaatst.

In een arrest van 3 december 2004 (LJN ECLI:NL:HR:2004:AR0264, NJ 2005/237 m.nt. Van Wijmen) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omstandigheid dat de verplaatsing van kabels en leidingen dient plaats te vinden wegens in opdracht van het Rijk plaatsvindende werkzaamheden, niet meebrengt dat verplaatsing geschiedt “vanwege” de gemeente – in de zin van art. 5.8 Tw – die in dat geval eigenaar was van de betrokken gronden. De kosten van verplaatsing kwamen daarom in dat geval niet ten laste van de kabel- en leidingbeheerders. Naar aanleiding van het arrest van 3 december 2004 rees de vraag hoe het zit indien de gemeente en het Rijk bij een dergelijk project gezamenlijk opdrachtgever zijn, dan wel indien ten behoeve van het uitvoeren van het project aan het Rijk een gebruiksrecht op de gronden wordt verleend. Zou in dat geval wél sprake zijn van een verplaatsing “vanwege de gemeente”, en daarmee op kosten van de kabel- en leidingbeheerders?

Het arrest van 16 december 2011 gaat over een dergelijke constructie. Eind 2003 is een begin gemaakt met reconstructiewerkzaamheden aan de Rijksweg A12 tussen Gouda en Den Haag en de provinciale wegen N209 en N219. In het kader van deze reconstructiewerken hebben de Staat, de provincie Zuid-Holland, een aantal gemeenten en Railinfrabeheer B.V. uitvoeringsovereenkomsten gesloten waarin deze partijen beoogden gezamenlijk opdrachtgever te zijn van het gehele project. Tevens is in die overeenkomsten aan de Staat een gebruiksrecht op de gronden toegekend. KPN c.s. hadden glasvezel- en telecomkabels, lege (mantel)buizen en leidingen liggen in zes percelen grond. Deze percelen grond waren eigendom van de gemeente Bleiswijk en de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle.

Het hof had de vordering van de Staat tot een verklaring voor recht dat KPN c.s. de kosten van verplaatsing van de kabels en leidingen moet vergoeden, afgewezen. Daarbij had het hof in de eerste plaats de hierboven genoemde uitvoeringsovereenkomsten zo uitgelegd dat daaruit niet kon worden afgeleid dat de gemeenten met de aannemers die de werkzaamheden uitvoerden, hebben gecontracteerd. Die uitleg vindt de Hoge Raad niet onbegrijpelijk. Ook het betoog van de Staat dat onder uitvoering van werken “door of vanwege degene op wie de gedoogplicht rust” als bedoeld in art. 5.8 lid 1 Tw mede valt te begrijpen de uitvoering van werken waarvan de gedoogplichtige geen opdrachtgever is, maar die deel uitmaken van een (samenhangend) project waartoe ook (andere) werken behoren waarvan de gedoogplichtige wel opdrachtgever of mede-opdrachtgever is, faalt volgens de Hoge Raad. Dit betoog gaat volgens de Hoge Raad namelijk uit van een te veelomvattende, en daarom onjuiste, uitleg van de woorden “uitvoering van werken door of vanwege” in art. 5.8 lid 1 Tw.

Ook de omstandigheid dat een gebruiksrecht aan de Staat is verleend brengt volgens de Hoge Raad niet mee dat de kabels op kosten van KPN c.s. moeten worden verplaatst. Zou de Staat wel als gedoogplichtige kunnen verlangen dat de kabel- of leidingeigenaar op eigen kosten tot verplaatsing overgaat, dan zou volgens de Hoge Raad het wettelijk onderscheid tussen een gedoogplichtige door of vanwege wie werken worden uitgevoerd (die aanspraak heeft op verplaatsing van de kabels door de aanbieder op diens kosten) en een derde door of vanwege wie werken worden uitgevoerd (die geen zodanige aanspraak kan doen gelden) vervallen. De in de Telecommunicatiewet geregelde gedoogplicht rust volgens de Hoge Raad, zoals in art. 5.2 lid 1 van die wet tot uitdrukking is gebracht, op rechthebbenden en beheerders van gronden. Onder de hier bedoelde beheerders van gronden kan onder omstandigheden ook een gebruiker vallen, maar niet een gebruiker die de grond alleen in gebruik heeft gekregen om daarop de werken te laten uitvoeren waarvoor de verplaatsing van kabels nodig is. Dat geldt ook als die gebruiker tevens de toekomstige eigenaar van de gronden is en niet van plan is om die gronden later weer aan de vorige eigenaar terug te leveren (zoals in dit geval).

Toch wordt het arrest van het hof uiteindelijk door de Hoge Raad vernietigd omdat de Staat, nadat hij eigenaar was geworden van de percelen, het eerder door de gemeenten gedane verplaatsingsverzoek had herhaald. Het hof had dit verzoek niet als een zelfstandig verzoek van de Staat aangemerkt. Met een redelijke uitleg en toepassing van art. 5.8 lid 1 Tw valt volgens de Hoge Raad echter niet te verenigen dat de rechtsgevolgen van het definitieve verplaatsingsverzoek van de Staat, behoudens bijzondere omstandigheden, gedicteerd worden door de rechtsgevolgen van de onder andere omstandigheden gedane eerdere verzoeken van de gemeenten, waaraan KPN c.s. op het moment van het doen van het herhaalde verzoek nog geen gevolg hadden gegeven. Het hof had daarom het verzoek van de Staat afzonderlijk moeten beoordelen en de rechtsgevolgen daarvan moeten bepalen zonder doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de rechtsgevolgen die naar het oordeel van het hof zijn voortgevloeid uit de gemeentelijke verzoeken. De omstandigheid dat de Staat in zijn brieven aan KPN c.s. meedeelde dat de eigendomsoverdracht geen gevolgen heeft voor de eerdere verzoeken van de gemeenten en zijn verzoek presenteerde als een overneming en zo nodig herhaling van die eerdere verzoeken, maakt dat volgens de Hoge Raad niet anders. Uit deze formuleringen kan namelijk volgens de Hoge Raad geenszins worden afgeleid dat de Staat zijn opvatting heeft prijsgegeven dat KPN c.s. op grond van art. 5.8 lid 1 Tw verplicht waren om op eigen kosten tot verplaatsing van de kabels over te gaan.

De Staat is in cassatie bijgestaan door de auteur.

Share This