HR 20 april 2012, LJN BV3436 (Staat/Trafigura)

De verstrekking van strafvorderlijke gegevens is een feitelijke handeling, die door een andere wettelijke grondslag gerechtvaardigd kan worden dan de aanvankelijk door het openbaar ministerie genoemde grondslag. Art. 39f lid 1 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens stelt niet de eis dat de verstrekking van strafvorderlijke gegevens ten behoeve van hulp aan slachtoffers uitsluitend betrekking heeft op strafbare feiten ter zake waarvan een vervolging is ingesteld, terwijl een strafdossier betrekking kan hebben op meer feiten dan waarvoor het openbaar ministerie een vervolging instelt.

Het gaat in deze zaak om de rechtmatigheid van de vestrekking van strafvorderlijke gegevens aan slachtoffers van de giframp met de “Probo Koala”. Dit door Trafigura geëxploiteerde schip heeft in 2006 afvalstoffen die zich aan boord bevonden, aangeboden aan een afvalverwerkingsbedrijf in Amsterdam. Nadat monsters waren genomen van het afval en enkele metingen waren uitgevoerd, is de Probo Koala (met het afval) vertrokken uit Amsterdam. Trafigura heeft het afval vervolgens aangeboden aan een lokaal verwerkingsbedrijf in Ivoorkust, dat het afval illegaal heeft gedumpt. Trafigura wordt in Nederland strafrechtelijk vervolgd voor (onder meer) het handelen in strijd met de in- en uitvoerregels voor afvalstoffen.

Ruim 30.000 Ivorianen hebben in Engeland een collectieve actie tegen Trafigura ingesteld, omdat zij schade stellen te hebben geleden als gevolg van het dumpen van het afval. Zij hebben het openbaar ministerie in Nederland verzocht om ten behoeve van hun schadeclaim gegevens uit het strafdossier te verstrekken, waaronder een rapport van het NFI over de afvalmonsters. Het openbaar ministerie heeft aan dat verzoek gehoor gegeven. In deze kortgedingprocedure heeft Trafigura betoogd dat de verstrekking van die informatie onrechtmatig is en daarom verboden althans teruggedraaid moet worden.

De verstrekking van strafvorderlijke informatie aan derden is gereguleerd in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Art. 39f Wjsg voorziet in de mogelijkheid van verstrekking van strafvorderlijke gegevens aan slachtoffers, mits verstrekking noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang. Deze mogelijkheid is nader uitgewerkt in de Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden. Daarin is bepaald dat ten behoeve van de vergoeding aan het slachtoffer van schade als gevolg van een strafbaar feit, strafvorderlijke gegevens kunnen worden verstrekt aan degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit.

In dit geval had de officier van justitie niet art. 39f Wjsg als grondslag voor de verstrekking van de gegevens genoemd, maar (ten onrechte) art. 21 lid 6 Wet op de economische delicten. Volgens Trafigura maakt dat de verstrekking onrechtmatig, nu een verstrekking niet achteraf kan worden gerechtvaardigd door een andere grondslag dan waarop de officier van justitie zich had beroepen. De Hoge Raad volgt Trafigura daarin niet:

“Het hof diende in dit geding een voorlopig oordeel te geven over de rechtmatigheid van een feitelijke gedraging van de officier van justitie, te weten de verstrekking van de gegevens aan [de slachtoffers]. Het onderzoek naar een toereikende wettelijke grondslag van die gedraging betreft de rechtsgrond van de door Trafigura ingestelde vorderingen, welke beoordeling ook achteraf en zelfstandig door de rechter kan geschieden. Reeds daarom was het hof niet gehouden dit onderzoek te beperken tot de wetsbepaling waarop de officier van justitie de verstrekking van de gegevens had gebaseerd.”

Trafigura had voorts nog betoogd dat ook art. 39f Wjsg geen grondslag voor verstrekking van de gegevens kon bieden. Daarbij had zij zich er onder meer op beroepen dat de slachtoffers geen rechtstreekse schade hadden geleden door de in Nederland vervolgde strafbare feiten, maar door in Ivoorkust begane feiten, en dat laatstgenoemde feiten niet besloten lagen in het strafdossier, zodat ter zake daarvan geen verstrekking van gegevens kon plaatsvinden. Volgens het Hof lagen de in Ivoorkust begane feiten echter wel in het strafdossier besloten en kon ter zake daarvan wel degelijk verstrekking plaatsvinden. De Hoge Raad verwerpt de tegen dat oordeel gerichte klachten:

“Art. 39f lid 1 Wjsg stelt blijkens de tekst niet de eis dat de verstrekking van strafvorderlijke gegevens ten behoeve van het verlenen van hulp aan slachtoffers die bij een strafbaar feit zijn betrokken uitsluitend betrekking heeft op strafbare feiten ter zake waarvan een vervolging is ingesteld, terwijl een strafdossier betrekking kan hebben op meer feiten dan waarvoor het openbaar ministerie een vervolging instelt.”

De Staat is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en de auteur, en in feitelijke instanties door Cécile Bitter.

Share This