Selecteer een pagina

HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:686

 Als een beschikking van de belastingdeurwaarder inzake de kosten van betekening van een dwangbevel met bevel tot betaling onherroepelijk is geworden, en degene aan wie de kosten in rekening zijn gebracht de ontvanger verzoekt om ambtshalve vermindering van die kosten, kan de afwijzing van dit verzoek – waartegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat – worden voorgelegd aan de civiele rechter. Vanwege het nauwe verband tussen die afwijzing door de ontvanger en de kostenbeschikking van de belastingdeurwaarder, moet de civiele rechter dan onderzoeken of die kostenbeschikking onmiskenbaar onjuist was toen zij werd gegeven. 

De casus, de vordering en de beslissing van het hof

Eisers vormen met enkele andere vennootschappen een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. De fiscale eenheid heeft omzetbelasting over augustus en september 2012 niet betaald. Deze belasting is van haar nageheven door twee naheffingsaanslagen. Bij de fiscale eenheid is een betalingsachterstand van ruim € 1 miljoen ontstaan voor de naheffingsaanslagen. De ontvanger heeft de betreffende vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de belastingschuld.

De fiscale eenheid heeft de schuld niet tijdig voldaan. Op 7 mei 2013 heeft de ontvanger aan elk van de vennootschappen een dwangbevel met bevel tot betaling uitgevaardigd. Deze dwangbevelen heeft de belastingdeurwaarder op 28 mei 2013 binnen zeven minuten op hetzelfde adres betekend aan de vennootschappen. Voor deze betekeningen is per vennootschap € 11.393 aan betekeningskosten vastgesteld. De totale bij de fiscale eenheid in rekening gebrachte betekeningskosten bedragen daarmee € 91.144.

De fiscale eenheid heeft op 9 maart 2017 een verzoek tot vermindering van de betekeningskosten ingediend bij de ontvanger. De ontvanger heeft dit verzoek afgewezen.

Eiseressen vorderen onder meer een verklaring voor recht dat de betekeningskosten van de dwangbevelen in redelijkheid en getoetst aan art. 75, par. 7 Leidraad Invordering niet hoger mogen zijn dan, primair, in totaal € 800. Het hof heeft de vorderingen van eiseressen afgewezen.

De Hoge Raad

Eiseressen voeren in cassatie aan dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgerlijke rechter de ontvanger slechts kan verplichten tot ambtshalve vermindering van in rekening gebrachte kosten indien de beslissing om die kosten niet te verminderen onmiskenbaar onjuist was.

De Hoge Raad verwerpt deze klacht. Hij stelt voorop dat op grond van art. 3 lid 1 van de Kostenwet kosten van vervolging in rekening worden gebracht voor de betekening van een dwangbevel met bevel tot betaling. Tegen die beschikking van de belastingdeurwaarder kan administratief beroep worden ingesteld bij de ontvanger. Tegen de beslissing van de ontvanger op dit administratief beroep kan vervolgens beroep worden ingesteld bij de belastingrechter. Als tegen de beschikking van de belastingdeurwaarder echter niet (tijdig) administratief beroep is ingesteld, wordt die beschikking onherroepelijk. Als degene van wie de kosten worden gevorderd in dat geval de ontvanger verzoekt om de kosten ambtshalve te verminderen en de ontvanger dit verzoek afwijst, staat tegen die afwijzing geen beroep bij de bestuursrechter open.

De Hoge Raad zet vervolgens uiteen wat geldt als, ingeval van een afwijzende beslissing van de ontvanger op een verzoek om ambtshalve vermindering van kosten, bij de burgerlijke rechter een verklaring voor recht wordt gevorderd dat de kosten voor een te hoog bedrag in rekening zijn gebracht. Een dergelijke vordering houdt nauw verband met de kostenbeschikking van de belastingdeurwaarder, die formele rechtskracht heeft gekregen. Een afwijzende beslissing van de ontvanger op een verzoek tot ambtshalve vermindering van kosten kan zelf geen formele rechtskracht krijgen, omdat daartegen niet een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat. Deze beslissing, waarbij de ontvanger in wezen weigert terug te komen van de kostenbeschikking van de belastingdeurwaarder, is evenwel zo nauw verbonden met de kostenbeschikking, dat de rechter in de regel ook met betrekking tot de afwijzende beslissing van de ontvanger op een verzoek tot ambtshalve vermindering van kosten ervan moet uitgaan dat deze in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen.

Dit uitgangspunt neemt niet weg dat de burgerlijke rechter onder omstandigheden gehouden is een verplichting tot ambtshalve vermindering van de kosten te aanvaarden. Een zodanige verplichting berust dan niet op een – aan de burgerlijke rechter in beginsel onttrokken – beoordeling van de vraag wat de belastingrechter zou hebben beslist als de kostenbeschikking van de belastingdeurwaarder wél ter beoordeling aan hem zou zijn voorgelegd. Van een verplichting tot ambtshalve vermindering kan slechts sprake zijn als de ontvanger tot geen andere slotsom had kunnen komen dan dat die beschikking onmiskenbaar onjuist was. Omdat bij een ‘onmiskenbaar’ onjuiste beschikking over die onjuistheid geen twijfel mogelijk is, komt dit criterium erop neer dat de burgerlijke rechter moet onderzoeken of de kostenbeschikking onmiskenbaar onjuist was op het moment waarop zij werd gegeven. Zo ja, dan volgt daaruit dat ook de ontvanger tot geen andere slotsom had kunnen komen bij de beoordeling van het verzoek om ambtshalve vermindering.

De Hoge Raad wijst er voorts op dat beleid van de ontvanger aan een verplichting tot ambtshalve vermindering van de kosten in de weg kan staan, ook als de betreffende kostenbeschikking onmiskenbaar onjuist was. De ontvanger heeft bijvoorbeeld ruimte om geen vermindering te verlenen als het verzoek daartoe is gedaan na afloop van een in beleid genoemde redelijke termijn. Anderzijds kan, ook als de kostenbeschikking van de belastingdeurwaarder niet onmiskenbaar onjuist was, toch een verplichting tot ambtshalve vermindering bestaan als uit beleid van de ontvanger volgt dat hij ook in andere gevallen zal overgaan tot ambtshalve vermindering van kosten.

Als de kosten betrekking hebben op een of meer (aansprakelijkheidsschulden betreffende) omzetbelastingschulden dan geldt bovendien dat bij de beoordeling of een verplichting tot ambtshalve vermindering moet worden aanvaard, ook aan het Unierecht moet worden getoetst. Uit de art. 2, 250 lid 1, en 273 van BTW-richtlijn 2006 vloeit namelijk voort dat iedere lidstaat verplicht is alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen om te waarborgen dat de btw op zijn grondgebied volledig wordt geïnd. Daarbij moeten de lidstaten de algemene rechtsbeginselen die deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie, waaronder het evenredigheidsbeginsel, naleven. In dit kader is het legitiem dat de maatregelen van een lidstaat de rechten van de schatkist zo doelmatig mogelijk proberen te beschermen, mits zij niet verder gaan dan wat daartoe noodzakelijk is.

Tegen deze achtergrond concludeert de Hoge Raad dat het hof ten onrechte heeft beoordeeld of de beslissing van de ontvanger om de kosten niet te verminderen onmiskenbaar onjuist was. Het hof had moeten beoordelen of de kostenbeschikkingen van de belastingdeurwaarder onmiskenbaar onjuist waren. Deze fout leidt echter om de volgende redenen niet tot cassatie.

Op grond van art. 43 Invorderingswet 1990 zijn vennootschappen die onderdeel vormen van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelasting die de fiscale eenheid is verschuldigd. Het binnen een korte tijdspanne meermalen in rekening brengen van de maximale kosten als bedoeld in art. 3 lid 1 Kostenwet voor evenzovele aansprakelijkstellingen voor één belastingschuld, zoals in deze zaak is gebeurd, brengt niet mee dat de kostenbeschikkingen van de belastingdeurwaarder onmiskenbaar onjuist waren. Uit art. 3 lid 1 Kostenwet volgt namelijk dat in dit geval, gelet op de hoogte van de belastingschuld waarvoor elk van de vennootschappen aansprakelijk is gesteld, voor het betekenen van elk dwangbevel aan elk van die vennootschappen de maximale kosten in rekening worden gebracht van (in 2013) € 11.393,–. De Hoge Raad wijst er hierbij op dat de Kostenwet forfaitaire bedragen hanteert, die ook in rekening worden gebracht voor zover zij in het concrete geval meer bedragen dan de werkelijke kosten die aan het verrichten van de desbetreffende invorderingswerkzaamheden verbonden zijn. De kostenbeschikkingen waren daarom niet onmiskenbaar onjuist op het moment waarop zij werden gegeven.

Toetsing van deze beschikkingen aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel leidt niet tot een andere conclusie. Hetzelfde geldt voor het beroep van eiseressen op art. 75, par. 7, van de Leidraad. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op gevallen waarin een belastingschuldige niet kan worden verweten dat hij de belastingschuld niet op tijd heeft betaald. Dat is hier niet aan de orde, onder meer omdat het beroep van eiseressen op betalingsonmacht daarvoor niet voldoende is.

Afdoening

De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beslissing is in overeenstemming met de conclusie van A-G Assink.

De ontvanger werd in deze zaak bijgestaan door Hans van Wijk en de auteur.

Share This