HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:423
Voor een vordering van een bedrijfstakpensioenfonds op een werkgever tot betaling van premie geldt het verjaringsregime van art. 3:308 BW. De verjaringstermijn, vijf jaar, loopt vanaf het opeisbaar worden van de vordering. In het geval van een vordering van een bedrijfstakpensioenfonds op een werkgever tot betaling van de premie over een bepaalde periode, is dat het tijdstip van betaling in het uitvoeringsreglement. In het uitvoeringsreglement kunnen geen langere termijnen worden opgenomen dan in art. 26 Pensioenwet is vermeld.
Achtergrond
Verschillende werkgevers zijn verplicht hun werknemers aan te melden bij een bedrijfstakpensioenfonds. Deze verplichting vloeit voort uit de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds en de daarop gebaseerde verplichtstellings- en wijzigingsbesluiten. Zie over de verplichte deelname in een bedrijfstakpensioenfonds en de (financiële) gevolgen daarvan hier.
In deze zaak gaat het over de bedrijfstakpensioenregeling voor de reisbranche. Deze regeling wordt door bedrijfstakpensioenfonds PGB uitgevoerd, deelneming daarin is verplicht gesteld. PGB vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat Booking.com verplicht is deel te nemen aan het pensioenfonds en dat die verplichting voor haar is ingegaan met ingang van 1 januari 1999.
De Hoge Raad heeft eerder in dit geding (in 2021, CB 2021-45) geoordeeld dat Booking.com een ‘(online) reisagent’ is als bedoeld in het verplichtstellingsbesluit voor de reisbranche. Na verwijzing zijn andere verweren van Booking.com aan de orde gekomen. Het hof heeft die verweren verworpen en heeft PGB in het gelijk gesteld. Booking.com heeft cassatieberoep ingesteld.
De Hoge Raad gaat in deze uitspraak in op het verweer van Booking.com dat PGB bij haar vordering geen belang heeft omdat alle premievorderingen zouden zijn verjaard. Volgens Booking.com valt het moment waarop die vorderingen opeisbaar zijn geworden samen met het moment waarop de verplichtstelling is ingegaan (1 januari 1999), terwijl de verjaringstermijn van vijf jaar (art. 3:308 BW) hier van toepassing is.
De verjaringstermijn van art. 3:308 BW
De Hoge Raad stelt voorop dat de verjaring van een vordering van een bedrijfstakpensioenfonds op een werkgever tot betaling van premie wordt beheerst door art. 3:308 BW. Dat artikel bepaalt dat een rechtsvordering tot betaling van, kort gezegd, rente, dividend, huur en al het andere wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald, verjaart door verloop van vijf jaar. Die termijn loopt vanaf de dag die volgt op de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden. Strekking van die (relatief) korte termijn is het voorkomen dat niet betaalde termijnen oplopen tot een zware schuld (zie de conclusie van de A-G onder 4.18).
Het wettelijk systeem
De pensioenpremie is de in geld uitgedrukte periodiek vastgestelde structurele prestatie die verschuldigd is aan de pensioenuitvoerder en die bestemd is voor pensioen en de daaraan verbonden kosten (art. 1 Pensioenwet, hierna: Pw). Als de werkgever aan de voorwaarden voldoet voor verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds, ontstaat per periode waarover de premie verschuldigd is, van rechtswege een vordering van het bedrijfstakpensioenfonds op de werkgever tot betaling van deze premie.
De uitvoeringsovereenkomst is de overeenkomst tussen een werkgever en een pensioenuitvoerder over de uitvoering van een of meer pensioenovereenkomsten (art. 1 Pw). Art. 26 Pw bepaalt dat in de uitvoeringsovereenkomst wordt vastgelegd hoe de betaling van de premies door de werkgever aan de pensioenuitvoerder geschiedt. Daarbij wordt aan de volgende drie voorwaarden voldaan. (a) Een werkgever voldoet de werkgeverspremie en de op het loon van de werknemer ingehouden werknemerspremie aan de pensioenuitvoerder uiterlijk binnen óf twee maanden (als de pensioenuitvoerder op basis van actuele loonsomgegevens zijn administratie voert) óf een maand na afloop van elk kwartaal. (b) Wanneer de premie op basis van een langere termijn dan een kwartaal wordt vastgesteld en in rekening gebracht, is deze termijn ten hoogste gelijk aan een jaar en voldoet de werkgever uiterlijk binnen een maand na afloop van elk kwartaal een vierde gedeelte van de door hem op basis van zijn eigen bijdrage verschuldigde jaarpremie op basis van een schatting van de pensioenuitvoerder en de op het loon van de werknemer ingehouden werknemerspremie, aan de pensioenuitvoerder. (c) De totale jaarpremie, bestaande uit de werkgeverspremie en de werknemerspremies, wordt uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar voldaan aan de pensioenuitvoerder.
Wat in art. 26 Pw staat, geldt ook als (i) sprake is van uitvoering door een bedrijfstakpensioenfonds, (ii) de werkgever gehouden is, of zich verbonden heeft door lid te zijn van een werkgeversvereniging, tot naleving van de statuten en reglementen van dit bedrijfstakpensioenfonds, en (iii) het bedrijfstakpensioenfonds een uitvoeringsreglement heeft opgesteld dat voldoet aan de eisen die in art. 25 Pw ten aanzien van de uitvoeringsovereenkomst zijn gesteld (art. 23 lid 2 Pw in verbinding met art. 25 lid 1, aanhef en onder b, Pw).
Uit de parlementaire geschiedenis bij art. 26 Pw volgt, volgens de Hoge Raad, dat in de uitvoeringsovereenkomst (in voorkomend geval: het uitvoeringsreglement van een bedrijfstakpensioenfonds) geen langere termijnen voor de betaling van de premie kunnen worden opgenomen dan in art. 26 Pw zijn vermeld. In de uitvoeringsovereenkomst of het uitvoeringsreglement kan daarom ook niet worden bepaald dat een vordering tot betaling van de premie pas opeisbaar is op een later tijdstip dan het uiterste tijdstip van betaling van de premie (zoals bedoeld in art. 26 Pw).
Moment van opeisbaar worden
Uit het voorgaande leidt de Hoge Raad af dat de vordering van een bedrijfstakpensioenfonds op een werkgever tot betaling van de premie over een bepaalde periode opeisbaar is op het tijdstip van betaling dat in het uitvoeringsreglement (binnen de door art. 26 Pw gestelde grenzen) voor die vordering is bepaald. Als dat tijdstip afhankelijk is gesteld van een handeling van de pensioenuitvoerder (zoals het verzenden van een premienota) en die handeling achterwege is gebleven, wordt de vordering voor toepassing van de verjaringstermijn van art. 3:308 BW geacht opeisbaar te zijn geworden op het uiterste tijdstip van betaling van de premie, bedoeld in art. 26 Pw.
De verjaringstermijn van art. 3:308 BW (die dus van toepassing is) vangt vervolgens aan op de dag, volgende op die waarop de vordering van het bedrijfstakpensioenfonds op de werkgever tot betaling van de premie over een bepaalde periode opeisbaar is geworden of geacht wordt opeisbaar te zijn geworden.
Verdere mogelijkheden
De Hoge Raad merkt verder op dat de verjaringstermijn van art. 3:308 BW volgens art. 3:320 BW in verbinding met art. 3:321, aanhef en onder f, BW wordt verlengd als (kort gezegd) de werkgever opzettelijk het bestaan van de premievordering of de opeisbaarheid daarvan voor het bedrijfstakpensioenfonds verborgen heeft gehouden. Ook kan onder omstandigheden een beroep van de werkgever op de verjaringstermijn van art. 3:308 BW jegens het bedrijfstakpensioenfonds naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (art. 6:2 lid 2 BW).
Afdoening
Het verweer van Booking.com dat alle premievorderingen zouden zijn verjaard, gaat dus niet op. Ook de andere klachten over het oordeel van het hof slagen niet (de Hoge Raad verwerpt ze zonder inhoudelijke motivering). Het cassatieberoep wordt daarmee verworpen, in lijn met de conclusie van A-G Drijber.