Selecteer een pagina

HR 29 juni 2012, LJN BW9769

Tot de ‘kosten der huishouding’ (art. 1:84 BW) moeten worden gerekend hetgeen in het huishouden wordt verteerd of verbruikt en ten behoeve van het draaiende houden van de huishouding wordt uitgegeven. In beginsel kunnen noch het aflossingsdeel van hypothecaire betalingsverplichtingen, noch de verschuldigde premie voor een levensverzekering die te zijner tijd strekt tot aflossing van de hypothecaire lening, als ‘kosten der huishouding’ worden gekwalificeerd. Deze kosten strekken namelijk primair tot vermogensopbouw. Dit wordt niet anders als de huwelijkse voorwaarden een koude uitsluiting en een nihilbeding terzake van de kosten in de huishouding bevatten.

Achtergrond

Partijen zijn in 1976 getrouwd onder huwelijkse voorwaarden. Deze voorwaarden hielden een zogenaamde ‘koude uitsluiting’ in en een nihilbeding inzake de kosten van de huishouding. Op grond van dit nihilbeding diende de man alle kosten van de huishouding te dragen. In het kader van de afwikkeling van hun echtscheiding (mei 2008) maakt de man aanspraak op een bedrag van € 59.500,-. Deze vordering houdt verband met de financieringslasten verbonden aan de gemeenschappelijke echtelijke woning, die in 1979 door partijen in mede-eigendom werd verkregen. De financiering geschiedde door middel van een hypothecarie lening in de vorm van een annuïteitenhypotheek, die later (in 1989) is omgezet in een  spaarhypotheek met een daaraan gekoppelde levensverzekering. Op 1 december 2006 is de spaarpolis/levensverzekering ad € 104.000,- tot uitkering gekomen en met dit bedrag is vrijwel de volledige hypothecaire lening afgelost. De man stelt dat de vrouw dient bij te dragen aan de aan echtelijke woning verbonden financieringslasten, maar volgens de vrouw zijn deze kosten aan te merken als ‘kosten in de huishouding’ en moeten zij daarom ten laste blijven van de man.

Kosten van de huishouding

Art. 1:84 BW geeft een wettelijke regeling ten aanzien van de draag- en fourneerplicht voor ‘kosten in de huishouding’, maar de wet geeft geen definitie van dit begrip. Wat hieronder moet worden verstaan, valt in zijn algemeenheid niet te zeggen. Art. 1:84 BW is van regelend recht, dus echtgenoten kunnen in hun huwelijkse voorwaarden afwijkende maatstaven opnemen (zie HR 17 november 1961, NJ 1962, 46). Daarvan is in dit geval sprake, want partijen zijn overeengekomen dat de kosten van de huishouding volledig ten laste van de man komen. Een dergelijke beding komt vaker voor in combinatie met een koude uitsluiting en beoogt veelal om de gevolgen van de koude uitsluiting te verzachten.

Echtgenoten kunnen niet alleen een van art. 1:84 BW afwijkende regeling treffen voor de draag- en fourneerplicht, maar kunnen ook bepalen welke kosten onder het begrip ‘kosten in de huishouding’ vallen. Dit begrip staat centraal in deze zaak: behoren de door de man voldane financieringslasten met betrekking tot de gemeenschappelijke woning tot de ‘kosten in de huishouding’? In het bevestigende geval moeten zij – ingevolge het nihilbeding ten gunste van de vrouw – ten laste van de man blijven. Het hof heeft echter het hiertoe strekkende verweer van de vrouw verworpen. Volgens het hof kunnen betaling van het aflossingsdeel van de hypotheek en de premies voor de levensverzekering niet worden gekwalificeerd als ‘kosten in de huishouding’, omdat betaling daarvan leidt tot vermogensvorming. In cassatie klaagt de vrouw dat het enkele feit dat voldoening van bepaalde kosten kan leiden tot vermogensvorming niet zonder meer betekent dat dergelijke kosten nimmer tot ‘kosten in de huishouding’ kunnen worden gerekend.

Nu heeft de Hoge Raad in het kader van een verrekenbeding eerder uitgemaakt dat rentebetalingen wél, in tegenstelling tot betalingen die leiden tot vermogensvorming, als kosten van de huishouding in de zin van art. 1:84 BW moeten worden aangemerkt, zodat deze betalingen in beginsel niet als onverteerd vermogen voor verrekening in aanmerking komen (HR 27 januari 2006, NJ 2008, 564)). In de context van het periodieke verrekenbeding bestaat een direct verband tussen het begrip ‘kosten van de huishouding’ en overgespaarde of onverteerde inkomsten. De vrouw bepleit in cassatie dat uit deze jurisprudentie niet automatisch volgt dat, andersom, in het kader van een nihilbeding premiebetalingen (die uiteindelijk tot aflossing en dus in wezen tot vermogensvorming leiden)  géén kosten van de huishouding zouden (kunnen) zijn. Er is immers niet één vast begrip ‘kosten in de huishouding’, maar de invulling daarvan is afhankelijk van de context. De context wordt hier bepaald, betoogt de vrouw, door de inhoud en strekking van het nihilbeding (verzachting van de gevolgen van de koude uitsluiting ten gunste van de vrouw, die zelf gedurende het huwelijk slechts gering inkomsten genoot)  en de wijze waarop partijen daaraan gedurende het huwelijk uitvoering hebben gegeven (de man heeft de vrouw bijvoorbeeld nimmer gevraagd bij te dragen aan de hypothecaire lasten). Gelet daarop zouden de premiebetalingen op de spaarpolis wel als ‘kosten in de huishouding’ moeten worden aangemerkt. Een andere interpretatie zou de onwenselijke consequentie hebben dat de vrouw in dit geval bij het einde van het huwelijk alsnog met een omvangrijk vorderingsrecht van de man worden geconfronteerd, waarmee zij – gelet op de inhoud, strekking en wijze van uitvoering van het nihilbeding – geen rekening hoefde te houden.

De vrouw vindt met dit betoog geen gehoor bij de Hoge Raad:

“3.5 (…) Tot de kosten der huishouding als bedoeld in art. 1:84 BW moeten in het algemeen worden gerekend hetgeen in het huishouden verteerd of verbruikt wordt en hetgeen ten behoeve van het draaiende houden van de huishouding wordt uitgegeven (vgl. Kamerstukken II 2001-2002, 27 554, nr. 5, p. 5). Daartoe behoren wat betreft de huisvestingskosten in het bijzonder huurtermijnen alsmede rentebetalingen ter zake van de met geleend geld verworven echtelijke woning. Daarentegen kunnen in beginsel noch het aflossingsdeel van hypothecaire betalingsverplichtingen, noch de verschuldigde premie voor een levensverzekeringspolis die ertoe strekt om te zijner tijd met het opgebouwde kapitaal de hypothecaire lening af te lossen, tot de in deze bepaling bedoelde huishoudelijke kosten worden gerekend, nu daarmee primair vermogensopbouw plaatsvindt. Bij huwelijkse voorwaarden kan een van het vorenstaande afwijkende regeling overeengekomen worden.”

Dat het hof in de huwelijkse voorwaarde tussen partijen niet een zodanige afwijking heeft gezien, acht de Hoge Raad niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad overweegt bovendien uitdrukkelijk dat het gegeven dat tussen partijen een koude uitsluiting met een nihilbeding ten laste van de man van kracht was, dit niet anders maakt.

Natuurlijke verbintenis

Subsidiair heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat de man, door aldus de financieringslasten te voldoen, heeft voldaan aan een jegens haar geldende natuurlijke verbintenis (art. 6:3 lid 2, aanhef en onder b BW). Ten aanzien van het aannemen van een natuurlijke verbintenis in relatie tot vergoedingsrechten tussen (ex)echtgenoten wordt wel dezelfde ratio genoemd als ten aanzien van het nihilbeding. A-G Rank-Berenschot wees hierop in par. 2.25.3 van haar conclusie:

“2.25.3 Volgens de rechtspraak van Uw Raad zal in het algemeen als een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis mogen worden beschouwd de omstandigheid dat de prestatie bestond in het verstrekken door de man van gelden voor de aankoop van een op beider naam of alleen op naam van de vrouw te plaatsen, gemeenschappelijke of alleen voor de vrouw bestemde woning, nu het voor de hand ligt dat een zodanige prestatie ertoe strekt te waarborgen dat de vrouw ook na het einde van het huwelijk in die woning kan blijven wonen en deze waarborg niet tot zijn recht zou komen, wanneer zij het gevaar loopt deze woning te moeten verkopen om aan een vergoedingsplicht jegens de man te kunnen voldoen. Het verschaffen van een zodanige waarborg zal vaak naar maatschappelijke opvattingen kunnen worden beschouwd als een prestatie die aan de vrouw op grond van een dringende morele verplichting toekomt.”

Toch onderschreef de A-G, en nu ook de Hoge Raad, het oordeel van het hof dat in dit geval niet gezegd kan worden dat de man met deze betalingen heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis. Het hof achtte daartoe bepalend of in 2006 – het moment waarop het grootste gedeelte van de hypothecaire lening werd afgelost – naar objectieve maatstaven sprake was van een natuurlijke verbintenis. Daarmee verwierp het hof de stelling van de vrouw dat als peilmoment moet worden gekeken naar de situatie in 1979 (aanschaf woning) en niet naar het aflossingsmoment in 2006. Onder verwijzing naar het partijdebat, waarbij de man zich onder meer erop beriep dat de vrouw op dat moment enig eigen vermogen bezat, laat de Hoge Raad dit oordeel in stand:

“3.7.2 (…) Tegen deze achtergrond geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting het oordeel van het hof in rov. 4.5 dat, anders dan de vrouw betoogde, het moment waarop in 2006 voor het grootste deel aflossing van de op de woning gevestigde hypotheek plaatsvond, bepalend is voor het antwoord op de vraag of naar objectieve maatstaven sprake is van een natuurlijke verbintenis.
Op dat moment vond immers de vermogensoverheveling plaats doordat met het vrijkomende kapitaal uit de op naam van de man staande polis de (op beider naam staande) spaarhypotheek werd afgelost, waardoor de mede aan de vrouw toekomende overwaarde van de woning toenam.
Aan hantering van deze peildatum staat niet in de weg dat het uitgekeerde kapitaal uit de levensverzekering in de loop der jaren is opgebouwd door de periodieke premiebetalingen. Gelet op de door beide partijen verdedigde peilmomenten (volgens de vrouw 1979, volgens de man 2006) is het hof aldus ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.”

Voor de vrouw betekent deze uitspraak dat zij moet bijdragen in de door de man voldane financieringslasten voor de echtelijke woning. Dat bij het afwijzen van het bestaan van een natuurlijke verbintenis de (substantiële) aflossing in 2006 doorslaggevende betekenis toekomt, lijkt – en dat was ook het bezwaar van de vrouw – enigszins willekeurig. Die aflossing geschiedde met het vrijgekomen bedrag van de spaarpolis. Dat bedrag is gedurende het huwelijk opgebouwd door de maandelijkse premiebetalingen ten laste van de man, waarvan je zou kunnen zeggen dat zij al gedurende het huwelijk tot een zekere vermogensverschuiving (mede ten gunste van de vrouw) geleid hebben. Door bij de vraag naar het bestaan van een natuurlijke verbintenis aan te sluiten bij de uiteindelijke aflossing in 2006, moet worden gekeken naar de vermogenspositie van de vrouw op dat moment en blijkt bepalend dat zij op dat moment – in tegenstelling tot de eerdere huwelijksjaren waarin de premiebetalingen werden verricht – wel enig vermogen bezat. Daarmee rijst wel de vraag of bij een andere (bijvoorbeeld in de tijd meer gespreide) aflossingsmodaliteit minder snel toegekomen wordt aan het aannemen van een vergoedingsrecht omdat is voldaan aan een natuurlijke verbintenis.

De vrouw is in cassatie bijgestaan door Ans van Duijvendijk-Brand.

Share This