HR 16 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:86

De kantonrechter kan ambtshalve ontslag verlenen aan een bewindvoerder (art. 1:448 lid 2 BW). Die bevoegdheid komt eveneens toe aan het hof als appelrechter. Dat brengt mee dat de (appel)rechter bij zijn beslissing over het ontslag van een bewindvoerder niet is gebonden aan de gronden die een belanghebbende daarvoor eventueel heeft aangevoerd.

In deze zaak zijn de goederen van een volwassen verstandelijk gehandicapte (hierna: de rechthebbende) onder bewind gesteld als bedoeld in art. 1:431 BW. Haar moeder was aanvankelijk bewindvoerder, haar zuster mentor.

Bij de kantonrechter

De zuster heeft bij de kantonrechter een verzoek ingediend om bewind en mentorschap om te zetten in een ondercuratelestelling als bedoeld in art. 1:378 BW. De kantonrechter heeft het verzoek om ondercuratelestelling afgewezen en ambtshalve zowel moeder als zuster ontslagen en in hun plaats een professionele bewindvoerder en mentor benoemd, alles uitvoerbaar bij voorraad. Grond voor deze beslissing was “de gebleken tweespalt” tussen moeder en zuster.

Bij het hof

Zowel de rechthebbende als de moeder zijn in hoger beroep opgekomen tegen het ontslag van de moeder als bewindvoerder en tegen de benoeming van de nieuwe bewindvoerder en de nieuwe mentor. Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd, maar een andere grond onder het ambtshalve gegeven ontslag geschoven, namelijk dat de moeder als bewindvoerder in het door haar gevoerde financiële beheer niet altijd de belangen van de rechthebbende op voldoende adequate wijze heeft behartigd. Daarvan was volgens het hof eerst ter gelegenheid van de procedure in hoger beroep gebleken, door gegevens die van de zijde van de nieuwe bewindvoerder waren verstrekt. De moeder had dit volgens het hof onvoldoende weersproken, terwijl zij ter zitting had verklaard dat haar kennis met betrekking tot het persoonsgebonden budget beperkt was.

In cassatie

De rechthebbende en de moeder zijn van deze beschikking in cassatie gekomen. Daarin stelden zij allereerst dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd had overschreden omdat de zuster en de nieuwe bewindvoerder in hun processtukken niets over het door de moeder gevoerde financiële beheer aan de orde hadden gesteld en daarover ook geen financiële stukken hadden overgelegd. Het was wel ter zitting aan de orde gesteld, maar de moeder had de rechtsstrijd daarover niet uitdrukkelijk aanvaard. De Hoge Raad verwerpt deze klachten.

De Hoge Raad wijst erop dat blijkens art. 1:448 lid 2 BW door de kantonrechter ook ambtshalve ontslag aan een bewindvoerder kan worden verleend, onder meer wegens gewichtige redenen. Die bevoegdheid komt ook aan het hof als appelrechter toe. Dat brengt mee dat het hof bij zijn beslissing niet is gebonden aan de gronden die een belanghebbende eventueel heeft aangevoerd. Ook feiten en omstandigheden die (pas) ter zitting in hoger beroep naar voren komen, kunnen aan een ontslag van de bewindvoerder ten grondslag worden gelegd, mits hem voldoende gelegenheid is geboden zijn standpunt daaromtrent aan het hof kenbaar te maken en zo nodig zijn standpunt met stukken te onderbouwen.

In dat laatste “mits” zit de angel in deze zaak.

Het hof had zijn beschikking in belangrijke mate gebaseerd op de inhoud van een brief van de nieuwe bewindvoerder waarvan niet bleek dat die aan (de advocaat van) de moeder was gezonden, terwijl het hof de brief ter zitting evenmin ter sprake had gebracht. Ter zitting was slechts in algemene termen besproken dat de moeder volgens de nieuwe bewindvoerder tekort was geschoten, niet bleek dat specifieke voorbeelden die het hof in zijn beschikking had genoemd ter zitting aan de orde waren gekomen. Gelet op deze gang van zaken heeft het hof hoor en wederhoor geschonden en daardoor in strijd gehandeld met art. 19 Rv.

Volgt vernietiging en verwijzing naar een ander hof.

Share This