Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

De verhouding tussen het instellen van vorderingen op grond van art. 3:170 en 3:171 BW

CB 2018-65 Geplaatst op 12 april 2018 door

HR 6 april 2018 ECLI:NL:HR:2018:535

(i) De regel uit art. 3:171 BW dat iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen/indienen van verzoekschriften ten behoeve van de gemeenschap geldt in beginsel slechts tegenover derden en niet tegenover deelgenoten, tenzij de vordering of het verzoek ten behoeve van de gemeenschap tegen een deelgenoot niet in de verdeling van de gemeenschap kan worden betrokken ingevolge art. 3:184 en 3:185 BW.
(ii) Voor vorderingen tegen derden is niet vereist dat deze op de voet van art. 3:170 lid 2 BW door de deelgenoten gezamenlijk worden ingesteld, mits de deelgenoot kenbaar maakt dat hij in zijn hoedanigheid voor de gezamenlijke, zo veel met name te noemen, deelgenoten optreedt.

Feiten

In deze zaak gaat het om de nalatenschap van een vader. Hij is in 2007 overleden en zijn enig erfgenamen zijn uit zijn eerste huwelijk: eiseres in cassatie, verweerder 1 in cassatie en betrokkene 2 in cassatie en uit zijn tweede huwelijk nog twee dochters: betrokkene 3 en betrokkene 4 in cassatie. In geschil is een tweetal overeenkomsten met betrekking tot de verkoop van de blote eigendom (aan verweerders 2-4) en het vruchtgebruik (aan een BV van verweerder 1) en een later door de verweerders 2-4 deel van de grond (inclusief pacht) aan diezelfde BV van de zoon. De zoon, verweerder 1, heeft voorafgaand aan de dood van zijn vader en de overeenkomsten per brief de vader geïnformeerd over de waarde van de grond. Volgens de dochter, eiseres in cassatie, heeft de zoon de vader opzettelijk onjuist geïnformeerd over die grond.

De dochter vordert in deze procedure, ten behoeve van de nalatenschap, vernietiging van de overeenkomsten opgenomen in de aktes van 29 maart 2007 respectievelijk 16 december 2008. Daarnaast vordert zij ongedaanmaking van hetgeen onder die overeenkomsten is uitgevoerd. Ten behoeve van de nalatenschap en ten behoeve van zichzelf, vordert zij schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking. Zij legt daaraan ten grondslag dat de zoon hun vader per brief opzettelijk onjuist heeft geïnformeerd over de waarde van het stuk grond. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het hof heeft eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Oordeel van het hof

Art. 3:170 lid 1 BW bepaalt dat het beheer van een gemeenschap, waaronder het instellen van rechtsvorderingen, door de deelgenoten tezamen geschiedt. In beginsel kan een deelgenoot niet op eigen naam een rechtsvordering instellen, behalve in het in art. 3:171 BW geregelde geval dat een vordering ten behoeve van de gemeenschap tegen derden wordt ingesteld. De uitzondering uit art. 3:171 BW gaat volgens het hof niet op, omdat deze bepaling geschreven is voor vorderingen jegens derden en niet voor vorderingen op deelgenoten van de gemeenschap (rov. 3.3). De deelgenoot dient dan de weg van art. 3:184 en art. 3:185 BW te bewandelen.

Hoe zit het met de vorderingen tegen verweerders 2-4? Het hof verklaart eiseres ook niet-ontvankelijk in de vorderingen tegen de kleindochters, hoewel zij geen deelgenoten zijn. De hoofdregel van art. 3:170 lid 1 BW bepaalt dat het beheer van de gemeenschap, waaronder het instellen van rechtsvorderingen, door de deelgenoten gezamenlijk geschiedt. Verweerder 1 heeft zich bij memorie van antwoord uitdrukkelijk verzet tegen de – ook ten behoeve van hem – ingestelde vorderingen tegen zijn dochters. Daarnaast overweegt het hof nog dat indien eiseres wel ontvankelijk was in haar vorderingen tegenover de dochters, dan geldt alsnog dat de vorderingen moeten worden afgewezen omdat de vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst is verjaard (in rov. 3.5).

Uitzondering op de hoofdregel?

In cassatie wordt onder meer geklaagd dat uit HR 8 september 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA7043, NJ 2000/604) kan worden afgeleid dat uit de redelijkheid en billijkheid, dus uit de omstandigheden van het geval, kan volgen dat een deelgenoot namens de gemeenschap tegen een andere deelgenoot kan optreden, bijvoorbeeld in een situatie als hier zich voordoet, namelijk dat de deelgenoot onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gemeenschap. Deze klacht faalt:

3.4.1 Art. 3:171, eerste volzin, BW bevat de regel dat, tenzij een regeling anders bepaalt, iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Deze regel ziet in beginsel slechts op vorderingen en verzoeken ten behoeve van de gemeenschap tegen derden en niet op vorderingen en verzoeken ten behoeve van de gemeenschap tegen een deelgenoot. Laatstgenoemde vorderingen en verzoeken dienen immers op de voet van de art. 3:184 BW en 3:185 BW in de verdeling van de gemeenschap te worden betrokken.

Een uitzondering op het vorenstaande is gerechtvaardigd indien een vordering of een verzoek ten behoeve van de gemeenschap tegen een deelgenoot zich niet ervoor leent in de verdeling van de gemeenschap te worden betrokken (vgl. HR 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7043, NJ 2000/604, rov. 3.6.4). In een dergelijk geval kan de vordering of het verzoek tegen de deelgenoot wel op de voet van art. 3:171 BW worden ingesteld, respectievelijk ingediend.

Slechts als de weg van art. 3:184 respectievelijk 3:185  BW niet kan worden bewandeld, kan een deelgenoot ingevolge art. 3:171 BW ook een vordering of verzoek ten behoeve van de gemeenschap tegen een andere deelgenoot instellen. Het hof heeft terecht geoordeeld dat een uitzondering zich hier niet voordoet. De Hoge Raad komt tot dit oordeel omdat de omstandigheden genoemd in het middel niet meebrengen dat de vorderingen niet in de verdeling van de gemeenschap kunnen worden betrokken. Genoemd werden onder andere (i) de omstandigheid dat de deelgenoot werd aangesproken als een willekeurige derde, (ii) dat eiser op de voet van art. 3:171  BW wel vorderingen jegens de dochters kan instellen, (iii) dat het voeren van twee procedures met dezelfde inzet elke redelijke grond ontbeert en (iv) dat verweerder 1 slechts een van de vier respectievelijk vijf betrokkenen is bij de litigieuze overeenkomsten.

Het tweede onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat art. 3:171 BW nu juist de mogelijkheid schept voor een deelgenoot om, ten behoeve van de gemeenschap op eigen titel en dus onafhankelijk van de andere deelgenoten, een vordering in te stellen, zodat het in dat kader niet nodig en ook niet vereist is dat alle andere deelgenoten daarmee hebben ingestemd. Deze klacht is succesvol:

 “3.5.2 Het onderdeel is gegrond. Voor de vorderingen van [eiseres] tegen de dochters van [verweerder 1] – derden als hiervoor in 3.4.1 bedoeld – is niet vereist dat deze op de voet van art. 3:170 lid 2 BW door de deelgenoten gezamenlijk worden ingesteld. Art. 3:171 BW bevat immers een bijzondere regeling voor het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ten behoeve van de gemeenschap. Ingevolge deze bepaling, die onder meer hierop berust dat een deelgenoot bij het instellen van een zodanige rechtsvordering niet van de andere deelgenoten afhankelijk dient te zijn (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 590), kan een deelgenoot op eigen naam een rechtsvordering tegen een derde instellen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Het hof heeft dit miskend.”

De Hoge Raad merkt nog op – en verwijst daarbij naar zijn eerdere uitspraak uit 2000 (HR 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7043) – dat een deelgenoot die op eigen naam een rechtsvordering of verzoekschrift indient ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap, kenbaar zal moeten maken dat hij in zijn hoedanigheid voor de gezamenlijke, zo veel mogelijk met name te noemen deelgenoten optreedt.

Hoewel de tweede klacht slaagt, kan er bij gebrek aan belang niet worden gecasseerd. De klachten gericht tegen het oordeel van het hof dat de vorderingen zijn verjaard kunnen niet tot cassatie leiden op grond van art. 81 RO. Dat betekent dat het slagen van de klacht tegen de niet-ontvankelijkheid niet tot een andere materiële uitkomst kan leiden. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

email print