HR 4 november 2011, LJN ECLI:NL:HR:2011:BR5310 en ECLI:NL:HR:2011:BU3271

Bij de vaststelling van (kinder)alimentatie heeft de feitenrechter een grote vrijheid, die bovendien gepaard gaat met (zeer) lage motiveringseisen. Cassatieklachten over die vaststelling zullen daarom doorgaans niet snel slagen. Op 4 november 2011 heeft de Hoge Raad echter twee uitspraken met betrekking tot de vaststelling van kinderalimentatie vernietigd. In het eerste geval achtte de Hoge Raad het onbegrijpelijk dat de door het hof vastgestelde verlaging van de alimentatie met terugwerkende kracht geen ingrijpende gevolgen voor de vrouw zou hebben. In het tweede geval was sprake van een kennelijke rekenfout van het hof bij de vaststelling van de alimentatie.

In de eerste zaak (LJN ECLI:NL:HR:2011:BR5310) had de rechtbank de kinderalimentatie voor de drie kinderen van partijen op verzoek van de vrouw met ingang van 1 januari 2009 vastgesteld op € 200 per kind per maand. Bij beschikking van 6 april 2010 heeft het hof de beslissing van de rechtbank vernietigd en de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 17 februari 2009 vastgesteld op een veel lager bedrag (ca. € 65, oplopend tot € 81 per kind per maand). Volgens het hof zou de terugwerkende kracht van deze wijziging geen ingrijpende gevolgen hebben voor de vrouw, omdat de man een achterstand had in de betaling van de kinderalimentatie. Dit oordeel houdt in cassatie echter geen stand. Uit de stukken blijkt namelijk dat de betalingsachterstand van de man slechts € 1.655,41 bedraagt, tegenover een terugbetalingsverplichting van de vrouw van € 6.300. Daar komt bij dat de man de verschuldigde alimentatie tot en met februari 2010 iedere maand heeft voldaan en dat genoemde achterstand uit het verleden dateert. Mede gelet op de beperkte draagkracht van de vrouw valt volgens de Hoge Raad zonder nadere motivering niet in te zien dat de door het hof vastgestelde wijziging met terugwerkende kracht geen ingrijpende gevolgen heeft voor de vrouw.

De tweede zaak (LJN ECLI:NL:HR:2011:BU3271) betrof een kennelijke rekenfout bij de vaststelling van de door de man te betalen kinderalimentatie. Het hof heeft in zijn eindbeschikking het bedrag dat de vader aan de moeder dient te betalen, bepaald op € 133 per kind per maand. Hiertoe heeft het hof overwogen (a) dat partijen het er over eens zijn dat de behoefte van de kinderen € 300 per kind per maand bedraagt, (b) dat de kinderen ongeveer evenveel tijd bij de vader als bij de moeder verblijven, (c) dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen en (d) dat de draagkracht van de vader € 733 per maand is en die van de moeder € 95 per maand. De man heeft in cassatie (met een rekenvoorbeeld) betoogd dat de vaststelling van de alimentatie op basis van deze uitgangspunten leidt tot een door hem in totaal (voor beide kinderen) te betalen bijdrage van € 232 per maand. De Hoge Raad stelt vast dat de vaststelling van het hof ad € 133 per kind per maand kennelijk op een verkeerde berekening berust, vernietigt de beschikking van het hof en doet de zaak zelf af.

Deze beide zaken illustreren dat – ondanks de grote mate van vrijheid en de (zeer) lage motiveringseisen op het gebied van de vaststelling van alimentatie – ook voor deze beslissingen geldt dat zij zodanig moeten worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken (vergelijk HR 29 juni 2001, LJN ECLI:NL:HR:2001:AB2376). Het is een geruststellende gedachte dat de rechtzoekende in deze gevallen nog steeds kan terugvallen op de Hoge Raad. Opmerkelijk is overigens dat de conclusie van de Procureur-Generaal in beide zaken strekte tot verwerping van het beroep.

Vermeldenswaard is ten slotte dat de Hoge Raad in de tweede zaak nog eens herhaalt (zie ook HR 26 juni 2009, LJN ECLI:NL:HR:2009:BH2288) dat de appelrechter ook zonder dat de alimentatiegerechtigde daarom verzoekt, kan afzien van wijziging van de alimentatie met terugwerkende kracht. De Hoge Raad overweegt (r.o. 3.3.3):

“Het staat de appelrechter vrij om ook zonder betoog van de zijde van de ouder die van de andere ouder een bijdrage in het onderhoud van de kinderen verzoekt, de door hem volgens de wettelijke maatstaven bepaalde lagere bijdrage pas op het tijdstip van de beslissing in hoger beroep te laten ingaan. Daarvoor is nodig dat de stellingen van partijen het oordeel kunnen dragen dat een eerdere ingangsdatum door de daarmee gepaard gaande terugbetalingsverplichting tot zodanig ingrijpende gevolgen leidt, dat in redelijkheid geen terugbetaling kan worden verlangd (…).”

Share This