Selecteer een pagina

HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1019

Een redelijke uitleg van de art. 1:258 en 1:263a BW brengt mee dat art. 1:263a BW ondanks zijn formulering ook – en in verband met de ruimere rechtsbescherming: bij uitsluiting – van toepassing is in een geval waarin de minderjarige zijn hoofdverblijf heeft bij een van zijn met het gezag belaste ouders en een contact beperkende aanwijzing wordt gegeven met betrekking tot de andere met het gezag belaste ouder bij wie hij niet zijn hoofdverblijf heeft.

Na echtscheiding hebben de ouders het gezamenlijk gezag. De kinderen hadden aanvankelijk hun hoofdverblijf bij de moeder, zijn onder toezicht gesteld en enige tijd uit huis geplaatst en hebben vervolgens bij hun vader verbleven, waar zij hun hoofdverblijfplaats hebben. De moeder heeft een bezoekregeling. Begin 2012 heeft Bureau Jeugdzorg (BJZ) een schriftelijke aanwijzing gegeven, inhoudende onder meer dat de onbegeleide bezoeken aan de moeder onmiddellijk dienen te stoppen en weer wordt overgegaan op begeleide bezoeken. De moeder heeft verzocht deze aanwijzing vervallen te verklaren, waarbij zij onder meer heeft aangevoerd dat dit geen aanwijzing is, maar een verkapte rechterlijke uitspraak waarbij omgang wordt geminimaliseerd. De kinderrechter heeft het verzoek afgewezen. De beschikking bevatte een rechtsmiddelenclausule, inhoudende dat hoger beroep bij het hof mogelijk was. Het hof heeft de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.

Art. 1:258 BW bepaalt dat BJZ een schriftelijke aanwijzing kan geven over de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De kinderrechter kan op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige zelf een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Tegen een dergelijke beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open, maar alleen cassatie in het belang der wet (art. 807 Rv). Art. 1:263a BW geeft BJZ daarnaast de bevoegdheid om voor de duur van een uithuisplaatsing de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind te beperken. Tegen deze beslissing staan de gewone rechtsmiddelen open: beroep bij de kinderrechter, hoger beroep en cassatie. Naar de letter van art. 1:263a lid 1 BW is deze bepaling uitsluitend van toepassing in geval van uithuisplaatsing.

De Hoge Raad beantwoordt in deze uitspraak twee vragen.

De eerste is of BJZ op de voet van art. 1:258 BW een aanwijzing kan geven tot beperking van contact tussen een onder toezicht geplaatst kind en zijn ouder(s) bij wie hij niet verblijft, ongeacht of het kind uit huis is geplaatst. Het antwoord luidt: ja (rov. 3.5, het slot van de eerste alinea).

De tweede is of art. 1:263a BW alleen van toepassing is in het geval van een uit huis geplaatst kind. Die vraag beantwoordt de Hoge Raad ontkennend en hij verfijnt daarbij de toepassing van zowel art. 1:258 als art. 1:263a BW. Mede op grond van de parlementaire geschiedenis brengt een redelijke uitleg van de art. 1:258 en 1:263a BW volgens de Hoge Raad mee “dat art. 1:263a BW ondanks zijn formulering ook – en in verband met de ruimere rechtsbescherming: bij uitsluiting – van toepassing is in een geval als het onderhavige, waarin de minderjarige zijn hoofdverblijf heeft bij een van zijn met het gezag belaste ouders en een contact beperkende aanwijzing wordt gegeven met betrekking tot de andere met het gezag belaste ouder bij wie hij niet zijn hoofdverblijf heeft.”.

Wellicht kan de wetgever deze uitleg nog verwerken in de komende wetgeving over de herziening van de maatregelen van kinderbescherming.

Share This