HR 23 juni 2017 ECLI:NL:HR:2017:1149

Caraïbische zaak. Aan bewijsaanbod te stellen specificatie-eisen. Aanbod tot horen van een getuige die reeds bij politie verklaring heeft afgelegd. Eis dat bewijsaanbod terzake dienend moet zijn. Respons op alle door eisers tot cassatie aangevoerde grondslagen van aansprakelijkheid ligt in voldoende mate in vonnis van Gemeenschappelijk Hof besloten.

Het gaat in deze zaak om de nasleep van een brand die ruim 13 jaar geleden woedde op St. Maarten. Verzoekers tot cassatie, een tweetal verzekeraars, hebben de schade die hun verzekerde, de eigenaar van een hotel, daardoor heeft geleden uitgekeerd.

In dit geding zoeken verzekeraars verhaal op verweerders in cassatie. Volgens verzekeraars is de brand veroorzaakt door een gebrek in of aan een destijds aan één van verweerders in cassatie, een onderaannemer, toebehorende luchtdrukcompressor. Deze luchtdrukcompressor werd gebruikt bij werkzaamheden op een naast het pand gelegen perceel. In beide feitelijke instanties is de daarop gebaseerde vordering van verzekeraars echter afgewezen. Een belangrijke redenering in de schakel van het oordeel van zowel het Gerecht in Eerste Aanleg als het Gemeenschappelijk Hof is dat de oorzaak van de brand niet is komen vast te staan.

Ook in verscheidene andere procedures (tussen deels andere partijen) is de rechter tot het oordeel gekomen dat verzekeraars niet hebben kunnen bewijzen (ook niet na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld) dat de luchtdrukcompressor een gebrek vertoonde of zelfs maar dat de oorzaak van de brand in deze luchtdrukcompressor was gelegen.

In deze cassatieprocedure hebben verzekeraars gepoogd om het door het Gemeenschappelijk Hof in deze zaak bereikte resultaat om te buigen.

Zij hebben daartoe onder meer betoogd dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan een door verzekeraars gedaan bewijsaanbod. Dat aanbod hield in om een getuige van de brand te horen die eerder al een verklaring bij de politie had afgelegd. Deze getuige had toen terzake de toedracht van de brand verklaard dat hij had gezien dat eerst de luchtdrukcompressor in brand stond en daarna een naast de luchtdrukcompressor geparkeerde pick-up. Het bewijsaanbod sloot hierbij naadloos aan. Verzekeraars boden aan de desbetreffende getuige te doen horen, omdat hij kan verklaren dat “eerst de compressor in brand stond en vervolgens de daarnaast geparkeerde pick-up”.

Het hof ging aan dit bewijsaanbod voorbij. Ten eerste oordeelde het hof dat gesteld noch gebleken is dat de getuige meer of anders heeft verklaard of kan verklaren dan in diens eerdere, ten overstaan van de politie afgelegde getuigenverklaring. Daarmee zocht het hof onmiskenbaar aansluiting bij o.m. HR 9 juli 2004, NJ 2005/270, rov. 3.6, waarin werd overwogen:

“Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan”.

Ten tweede was het hof van oordeel dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet meer dan een waarschijnlijkheidsoordeel inhouden, waaruit niet zonder meer het bewijs (volgt), ook niet voorshands, dat de brand haar oorzaak vindt in een gebrek in of aan de luchtdrukcompressor. Het bewijsaanbod was daarmee volgens het hof niet terzake dienend.

In cassatie betoogden verzekeraars dat het hof zich met dit oordeel schuldig had gemaakt aan een – verboden – bewijsprognose.

Dit betoog wordt door de Hoge Raad verworpen. Volgens de Hoge Raad blijkt uit het bewijsaanbod en uit de verklaring die de getuige reeds bij de politie had afgelegd, dat de te bewijzen aangeboden stelling ook reeds volgde uit de bij de bij politie afgelegde verklaring en is daarom niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat de getuige meer of anders heeft verklaard of kan verklaren dan in diens eerdere, ten overstaan van de politie afgelegde getuigenverklaring. De Hoge Raad geeft daarnaast een uitleg aan de hiervoor genoemde tweede grondslag van het oordeel van het hof. Volgens de Hoge Raad heeft het hof met dit oordeel te kennen gegeven, dat het te bewijzen aangeboden feit niets toevoegt aan de feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof van oordeel was dat niet vaststaat, ook niet voorshands, dat de brand is veroorzaakt door een gebrek in of aan de luchtdrukcompressor. Het oordeel dat het bewijsaanbod niet ter zake dienende was, geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In het bijzonder blijkt daaruit ook niet dat het hof is vooruitgelopen op het resultaat van de bewijsvoering, adus de Hoge Raad.

Een andere cassatieklacht van verzekeraars had de strekking dat het hof niet op alle door verzekeraars aangevoerde grondslagen van aansprakelijkheid zou zijn ingegaan. Ook hier geeft de Hoge Raad een nadere uitleg aan het oordeel van het hof, welke uitleg erop neerkomt dat een verwerping van alle aangevoerde grondslagen (in voldoende mate) besloten ligt in de uitspraak van het hof. Zie rov. 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad, met verwijzingen naar de specifieke overwegingen van het in cassatie bestreden vonnis van het Gemeenschappelijk Hof.

A-G Hartlief concludeerde ten aanzien van beide punten anders. Volgens hem was het oordeel van het hof onvoldoende overtuigend.

De onderaannemer aan wie de luchtdrukcompressor toebehoorde, werd in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en Mirella Peletier; in de feitelijke instanties door Terence Matroos (HBN Law)

Share This