HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1259 en ECLI:NL:HR:2013:1245

1. In geval van onttrekking door een advocaat wordt de zaak in de stand waarin zij zich bevindt (dus inclusief een aanzegging partijperemptoir/akte niet-dienen) verwezen naar de roldatum gelegen op een termijn van twee weken later voor het stellen van een nieuwe advocaat.
2. In het geval van een advocaatwissel (“herroeping”) moet de rechter, als de opvolgend advocaat uitstel vraagt op de grond dat hij na overname van de behandeling van de zaak nog onvoldoende gelegenheid heeft gehad om de proceshandeling voor te bereiden waarvoor de zaak op de rol staat, op de voet van de algemene regels voor uitstel in beginsel een uitstel van twee weken verlenen.

Inleiding

Op 15 november jl. heeft de Hoge Raad in twee zaken de beslissing van het hof om akte van niet-dienen van grieven te verlenen, vernietigd. In het hierna als eerste te bespreken arrest (ECLI:NL:HR:2013:1259) was sprake van een onttrekking van een advocaat op de dag waartegen akte niet-dienen was aangezegd. Het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr) bevat in hoofdstuk 6 een afzonderlijke regeling voor uitstel in geval van onttrekking. De Hoge Raad acht de klachten over schending van deze regeling gegrond.

In het tweede te bespreken arrest (ECLI:NL:HR:2013:1245) ging het niet om een onttrekking, maar om een wisseling van advocaat (ook herroeping genoemd) op de dag waartegen akte niet-dienen was aangezegd. Het op die zaak toepasselijke Lpr bevatte geen afzonderlijke regeling voor uitstel in geval van herroeping. De Hoge Raad oordeelt dat de rechter op verzoek van de opvolgend advocaat in beginsel een uitstel van twee weken voor de te verrichten proceshandeling dient te verlenen, dit op grond van de algemene regels voor uitstel in het Lpr.

Onttrekking van advocaat

In deze zaak stond de appellant ter rolle van 29 mei 2012 partijperemptoir voor grieven. Tegen diezelfde datum was akte van niet-dienen aangezegd. Op de rol van 29 mei 2012 heeft de procesvertegenwoordiger van appellante (mr. Damstra) zich onttrokken. Een andere advocaat (mr. Galama) heeft zich ter rolle van 12 juni 2012 gesteld. De voor de rol van die dag ingediende memorie van grieven is door het hof geweigerd en geretourneerd. De beslissing op de aanzegging akte van niet-dienen was op 29 mei 2012 aangehouden tot 12 juni 2013. Op laatstgenoemde datum is de akte van niet-dienen verleend. De zaak is vervolgens naar de rol van 3 juli 2012 verwezen voor arrest.

De cassatieklachten van appellante komen er in de kern op neer dat de beslissing van het hof om op 12 juni 2013 akte van niet-dienen te verlenen, in strijd is met art. 6.2 Lpr. De Hoge Raad acht de klachten gegrond en overweegt daartoe als volgt (r.o. 3.4):

“Ingevolge de art. 6.2 en 6.3 Lpr wordt in geval van onttrekking door een advocaat de zaak in de stand waarin zij zich bevindt verwezen naar de roldatum gelegen op een termijn van twee weken later voor het stellen van een nieuwe advocaat. Uit de hiervoor in 3.3. weergegeven gang van zaken volgt dat de zaak op 29 mei 2012 – de datum waarop zij vanwege de onttrekking van mr. Damstra (twee weken) werd aangehouden tot 12 juni 2012, de datum waarop mr. Galama zich heeft gesteld – partijperemptoir stond voor grieven en dat akte van niet-dienen was aangezegd. Op 12 juni 2012 stond de zaak derhalve nog steeds partijperemptoir voor grieven, zodat mr. Galama alsnog van grieven kon dienen, zoals hij ook heeft beoogd te doen. Het stond het hof in beginsel dan ook niet vrij om akte van niet-dienen te verlenen en op die grond de memorie van grieven te weigeren. Weliswaar kon het hof op de voet van art. 1.15 Lpr afwijken van het bepaalde in art. 6.2 en 6.3 Lpr indien het daartoe aanleiding vond in de (bijzondere) omstandigheden van het geval, maar uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof van deze bevoegdheid gebruikt heeft gemaakt. De middelen treffen derhalve doel.”

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

Wisseling van advocaat

In deze zaak stonden appellanten ter rolle van 17 april 2012 partijperemptoir voor grieven. Tegen diezelfde datum was akte van niet-dienen aangezegd. Op de rol van 17 april 2012 is de memorie van grieven niet genomen en heeft een nieuwe advocaat zich in de plaats gesteld van de oorspronkelijke advocaat als procesvertegenwoordiger van appellanten. De rolraadsheer heeft het door de nieuwe advocaat gevraagde uitstel voor het nemen van de memorie van grieven geweigerd op de grond dat er geen deugdelijke reden is voor uitstel en heeft akte van niet-dienen van grieven verleend.

Appellanten hebben bij fax van 20 april 2012 bezwaar gemaakt tegen de beslissing tot het verlenen van de akte van niet-dienen en de rolraadsheer verzocht hun alsnog in de gelegenheid te stellen de memorie van grieven te nemen. Op 27 april 2012 heeft de rolraadsheer het bezwaar van appellanten verworpen en de beslissing van 17 april 2012, waarbij akte niet-dienen is verleend, gehandhaafd.

Appellanten hebben tegen deze beslissingen tussentijds cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad stelt vast dat op het onderhavige geval het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Strct. 2010/19241, hierna: Lpr) van toepassing was. Het Lpr bevatte – evenals de thans geldende regeling (Scrt. 2012/26605) – in hoofdstuk 6 een afzonderlijke regeling voor uitstel in geval van onttrekking van een advocaat, dat wil zeggen het zich als advocaat uit de zaak terugtrekken als gevolg van het neerleggen van de opdracht. Het Lpr bevatte evenwel geen afzonderlijke regeling voor uitstel ingeval geen sprake is van onttrekking, maar van een wisseling van advocaat (ook herroeping genoemd).

De Hoge Raad overweegt in r.o. 4.2 vervolgens:

“In [het geval van herroeping] dient te rechter, indien de opvolgend advocaat uitstel vraagt op de grond dat hij na overname van de behandeling van de zaak nog onvoldoende gelegenheid heeft gehad om de proceshandeling voor te bereiden waarvoor de zaak op de rol staat, op de voet van de algemene regels voor uitstel (de art. 2.11-2.13 Lpr) in beginsel een uitstel van twee weken te verlenen.”

De woorden “in beginsel” duiden aan dat een afwijzing van het verzoek tot uitstel mogelijk is. De Hoge Raad licht dit als volgt toe:

“Een uitstelverzoek als het onderhavige kan slechts worden afgewezen indien de rechter ambtshalve of naar aanleiding van bezwaren van de wederpartij, waarop de uitstelverzoeker heeft kunnen reageren, aannemelijk acht dat uitstel onverenigbaar is met art. 20 Rv of de eisen van een goede procesorde.”

Van onverenigbaarheid met art. 20 Rv of de eisen van een goede procesorde is volgens de Hoge Raad onder meer sprake als de rechter aannemelijk acht dat de wisseling van advocaat plaatsvindt om aan de gevraagde akte van niet-dienen te ontkomen. De rechter zal de redenen voor zijn afwijzing van het uitstelverzoek uitdrukkelijk moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent moeten motiveren (r.o. 4.2).

De Hoge Raad overweegt in r.o. 4.3 dat eiseres c.s. op 16 april 2012 hebben verzocht om een aanhouding van zes weken voor het nemen van de memorie van grieven “in verband met een advocaatwissel” en dat het hof dit verzoek geweigerd heeft op de grond dat “geen deugdelijke reden voor uitstel” bestaat. Volgens de Hoge Raad heeft het hof met dat oordeel de in r.o. 4.2 vermelde regel miskend, hetzij zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.

In r.o. 4.4 overweegt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat de advocaatwissel (mede) tot doel had om te kunnen ontkomen aan de aangezegde akte niet-dienen, niet zonder meer volgt uit de voorafgaande overwegingen dat het voor de hand had gelegen dat de oorspronkelijke advocaat de memorie van grieven in elk geval in concept gereed had en dat eiseres c.s. niet hebben toegelicht waarom pas op 15 april 2012 duidelijk werd dat de oorspronkelijke advocaat eiseres c.s. niet langer kon bijstaan als advocaat. Volgens de Hoge Raad is dat oordeel van het hof daarom niet toereikend gemotiveerd.

De Hoge Raad vernietigt de arresten van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

In de zaak van de advocaatwissel is eiseres tot cassatie in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk.

Share This