HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:340 (X / Stichting Trudo)

Nu eiser in hoger beroep een beroep deed op matiging van de contractuele boete en aldus is opgekomen tegen de toewijzing van de gevorderde boete, had het hof – ondanks het ontbreken van een grief tegen het ambtshalve oordeel van de kantonrechter dat het boetebeding niet oneerlijk was in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen (Richtlijn 93/13/EEG) – ambtshalve het boetebeding (opnieuw) moeten toetsen aan de bepalingen van de Richtlijn.

Ambtshalve toetsing aan de Richtlijn oneerlijke bedingen

In dit huurgeschil, waarin de verhuurder aanspraak maakt op een boete vanwege ongeoorloofde onderhuur, is in cassatie de vraag aan de orde of het hof ambtshalve had moeten toetsen of de boete oneerlijk is in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen.

Nu heeft de Hoge Raad in HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691 (CB 2013-154) geoordeeld dat de appelrechter gehouden is ambtshalve na te gaan of een beding in algemene voorwaarden oneerlijk is in de zin van de richtlijn, óók als hij daarbij buiten het door de grieven ontsloten gebied moet treden. De appelrechter is echter niet tot dit ambtshalve onderzoek gehouden als tegen de toe- of afwijzing van de desbetreffende vordering in hoger beroep niet is opgekomen. In dat geval is de appelrechter niet bevoegd om over die vordering een beslissing te geven.

Het arrest uit 2013 heeft, zoals de Hoge Raad ook signaleert, verwarring gewekt. In de literatuur heerste onduidelijkheid over (het verschil tussen) de gehanteerde begrippenparen ‘het door de grieven ontsloten gebied’ en ‘de grenzen van de rechtsstrijd’. In de onderhavige zaak diende zich de mogelijkheid aan om deze onduidelijkheid weg te nemen en de verschillen tussen beide begrippenparen te duiden.

De casus

Stichting Trudo (hierna: Trudo) is verhuurder van een pand in Eindhoven. In de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst met eiser tot cassatie is bepaald dat deze het gehuurde niet aan derden mag onderverhuren. Doet hij dat toch, dan is hij een boete verschuldigd, onverminderd het recht van Trudo op schadevergoeding.

In 2012 kwam Trudo ter ore dat eiser kamers in onderhuur verhuurde aan derden. Zij confronteerde eiser hiermee, waarna eiser de huurovereenkomst opzegde. Trudo heeft op grond van de algemene voorwaarden schadevergoeding gevorderd alsmede een boete ter hoogte van € 10.000,-.

De kantonrechter

De kantonrechter wees de vordering tot schadevergoeding (gedeeltelijk) toe. Daarnaast heeft de kantonrechter in het kader van de gevorderde boete ambtshalve beoordeeld of het boetebeding oneerlijk was in de zin van de Richtlijn. Uit rov. 3.2.2 van het arrest valt op te maken dat de kantonrechter van oordeel was dat de Richtlijn wel van toepassing was, maar dat toetsing daaraan onmogelijk was omdat niet te zeggen viel wat de schade was die Trudo door het handelen van eiser heeft geleden. De kantonrechter veroordeelde eiser daarom ook tot betaling van de gevorderde boete.

De appelrechter

In appel vordert eiser dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat de vorderingen van Trudo alsnog worden afgewezen. Met betrekking tot de boete doet eiser (alsnog) een beroep op matiging daarvan. Eiser grieft echter niet tegen het oordeel van de kantonrechter dat het boetebeding niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Het hof verwerpt het beroep op matiging omdat – kort gezegd – Trudo zelf al een gematigd bedrag als boete had gevorderd (€ 10.000,- in plaats van € 80.000,-) en bekrachtigt het bestreden vonnis.

De Hoge Raad

In cassatie klaagt eiser dat het hof gehouden was om ambtshalve, buiten de inhoud van de grieven om, het boetebeding te toetsen aan de Richtlijn oneerlijke bedingen. De bijzonderheid in deze zaak was, ten eerste, dat de kantonrechter al ambtshalve aan de Richtlijn had getoetst en, ten tweede, dat eiser in appel géén grieven had gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het boetebeding niet oneerlijk was in de zin van de Richtlijn. Moest het hof in appel nu wel ambtshalve toetsen aan de Richtlijn, of mocht dat niet meer?

De Hoge Raad stelt bij zijn beoordeling voorop (rov. 3.3) dat het boetebeding tussen eiser en Trudo binnen het toepassingsgebied van de Richtlijn valt, nu (1) ook huurovereenkomsten tussen bedrijfsmatig verhurende partijen en particulieren onder de werking daarvan vallen (HvJEU 30 mei 2013, C-488/11), (2) de kantonrechter onbestreden heeft vastgesteld dat eiser als consument is te beschouwen en (3) in het vonnis besloten ligt dat Trudo handelde als bedrijfsmatig verhurende partij.

De Hoge Raad overweegt verder dat de Richtlijnbepalingen op één lijn gesteld moeten worden met bepalingen die naar nationaal recht hebben te gelden als zijnde van openbare orde (rov. 3.4.1). En dus dient de appelrechter deze bepalingen ook buiten het door de grieven ontsloten gebied toe te passen, met dien verstande dat hij de grenzen van de rechtsstrijd dient te respecteren. En dan komt het:

“Deze beide begrippen, de grenzen van de rechtsstrijd en het door de grieven ontsloten gebied, zijn niet met elkaar te vereenzelvigen. Het verschil tussen beide komt in een geval als het onderhavige naar voren wanneer de appellant vernietiging vordert van de beslissing van de rechter in eerste aanleg tot toewijzing van de gevorderde boete, maar de daartoe door hem aangevoerde grieven niet ertoe strekken dat het beding ongeldig is. De als recht van openbare orde aan te merken regels van de Richtlijn vallen in dat geval buiten het door de grieven ontsloten gebied, maar binnen de grenzen van de rechtsstrijd van partijen in appel.”

Om iedere (verdere) verwarring weg te nemen licht de Hoge Raad in rov. 3.4.3 ook nog toe wanneer een kwestie buiten de grenzen van de rechtsstrijd in appel ligt – en dus buiten het bereik van de appelrechter:

“[De appelrechter is] niet bevoegd of gehouden tot het onderzoek of een bepaald beding dat op zichzelf onder het toepassingsgebied van de Richtlijn valt, als oneerlijk in de zin van de Richtlijn heeft te gelden, indien tegen de toe- of afwijzing van de desbetreffende vordering in hoger beroep niet is opgekomen. Indien de in eerste aanleg gegeven beslissing over een bepaald onderdeel van de vordering buiten de grenzen van de rechtsstrijd in appel valt, zodat die beslissing kracht van gewijsde heeft verkregen, moet dit door de appelrechter worden gerespecteerd, ook als die beslissing mede berust op een beding dat (mogelijk) oneerlijk is in de zin van de Richtlijn.”

In dit geval was eiser, via de band van een beroep op matiging, wèl opgekomen tegen de toewijzing van de gevorderde boete en dus had het hof, ondanks het ontbreken van een daartoe strekkende grief, ambtshalve moeten toetsen of het boetebeding oneerlijk was in de zin van de Richtlijn.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof, conform de conclusie van A-G Wissink, en verwijst naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.

Share This