HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1274

De Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen over art. 140 Rv. In het geval als in de onderhavige procedure, waarin drie partijen zijn gedagvaard, waarvan twee partijen niet zijn verschenen en de zaak van de wel verschenen partij na intrekking van de eis is doorgehaald, moet het door de rechtbank ten aanzien van de niet verschenen gedaagden gewezen vonnis worden aangemerkt als een verstekvonnis, waartegen het rechtsmiddel van verzet openstaat.

B heeft in deze procedure D, A en C gedagvaard voor de rechtbank. Alleen D is in het geding verschenen. De vordering tegen D is ter comparitie van partijen ingetrokken en vervolgens is de procedure na de comparitie jegens D doorgehaald. De rechtbank heeft A en C bij verstek veroordeeld tot betaling omdat zij beiden niet zijn verschenen. Vervolgens hebben A en C tegen dit vonnis verzet ingesteld.

In hoger beroep speelt de vraag of A en C verzet tegen dit vonnis konden instellen. B meent dat het vonnis ingevolge art. 140 lid 3 Rv als een vonnis op tegenspraak moet worden beschouwd, omdat er meer gedaagden waren en ten minste een van hen (D) in het geding is verschenen.

Artikel 140 Rv lid 1 en lid 3 regelt de situatie waarin sprake is van verschillende gedaagden van wie er tenminste een wel én een niet verschijnt en vervolgens vonnis wordt gewezen:

 lid 1. Zijn er meer gedaagden en is ten minste een van hen in het geding verschenen, dan wordt, indien ten aanzien van de overige gedaagden de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, tegen dezen verstek verleend en tussen de eiser en de verschenen gedaagden voortgeprocedeerd.

lid 3. Tussen alle partijen wordt één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.

Volgens A en C geldt het bepaalde in artikel 140 lid 3 Rv niet omdat de enige verschenen gedaagde na de comparitie van partijen ‘uit het geding is verdwenen’.

Het hof heeft vervolgens de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd:

“1. Moet in een geval als het onderhavige, waarin:

a) drie partijen zijn gedagvaard,
b) één gedaagde partij is verschenen,
c) twee gedaagde partijen niet zijn verschenen,
d) de zaak van de verschenen partij na intrekking van de eis is doorgehaald,
e) de rechtbank vonnis wijst in de zaken van de niet verschenen partijen, het door de rechtbank gewezen vonnis worden aangemerkt als een verstekvonnis of als een vonnis op tegenspraak (artikel 140 lid 3 Rv)?

2. Indien het vonnis als een vonnis op tegenspraak moet worden aangemerkt, moet dan een uitzondering worden aanvaard op de regel dat het onjuist gekozen rechtsmiddel van verzet niet kan worden geconverteerd in het juiste rechtsmiddel van hoger beroep?”

De Hoge Raad stelt eerst de ratio van artikel 140 Rv voorop:

“De regeling van art. 140 Rv strekt ertoe dat in gevallen waarin een vordering tegen meer gedaagden wordt ingesteld, tussen de eiser(s) en de gedaagden geen tegenstrijdige vonnissen ten aanzien van eenzelfde rechtsbetrekking worden gewezen (HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894, NJ 2016/89). Om die reden staat ingevolge art. 140 lid 3 Rv tegen een vonnis dat is gewezen tussen “alle partijen” – waarmee, naast de eiser(s), zijn bedoeld: zowel de verschenen gedaagde(n) als de niet verschenen gedaagde(n) tegen wie verstek is verleend – slechts het rechtsmiddel van hoger beroep open. Daarmee wordt voorkomen dat tegen hetzelfde vonnis zowel een appelprocedure door de verschenen gedaagden, als een verzetprocedure door de niet verschenen gedaagden kan worden gevoerd, met het gevaar van tegenstrijdige beslissingen (vgl. HR 10 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0570, NJ 1992/448).”

 Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat in dit geval, waarin de verschenen gedaagde, voordat eindvonnis wordt gewezen, niet langer aan de procedure deelneemt en de procedure alleen ten aanzien van de niet verschenen gedaagden wordt voortgezet zodat het vonnis uitsluitend wordt gewezen tussen de eisers en de niet verschenen gedaagden, artikel 140 lid 3 Rv niet van toepassing is. Het risico van tegenstrijdige uitspraken doordat zowel het rechtsmiddel van hoger beroep als dat van verzet wordt aangewend, is immers niet aanwezig.

Hierbij wordt nog opgemerkt dat dit ook geldt indien alle verschenen gedaagden, voordat eindvonnis wordt gewezen maar pas nadat een tussenvonnis met inhoudelijke overwegingen en beslissingen is gewezen, niet langer deelnemen aan de procedure. De niet verschenen gedaagden kunnen dan door middel van verzet opkomen tegen het eindvonnis en de daaraan ten grondslag liggende tussenvonnissen.

In lijn met de A-G beantwoordt de Hoge Raad de prejudiciële vraag dan ook als volgt:

“3.6 In een geval als in de onderhavige procedure aan de orde is, waarin drie partijen zijn gedagvaard, waarvan twee partijen niet zijn verschenen en de zaak van de wel verschenen partij na intrekking van de eis is doorgehaald, moet het door de rechtbank ten aanzien van de niet verschenen gedaagden gewezen vonnis worden aangemerkt als een verstekvonnis, waartegen het rechtsmiddel van verzet openstaat.

3.7 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag geen beantwoording

Share This