Selecteer een pagina

HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:590 (ING/Schepel q.q.)

Voor de vraag of een pandakte ten tijd van de stille verpanding het te verpanden goed in voldoende mate bepaalt, is voldoende als de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welk goed het gaat. Dit uitgangspunt geldt ook voor andere goederen dan vorderingen, zoals bijvoorbeeld auteursrechten.

 Het gaat in dit geschil over de vraag of eiseres tot cassatie (hierna: ING) een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op het auteursrecht van software van de gefailleerde vennootschap CompLions B.V. (hierna: CompLions), wier curator, Schepel, optreedt als verweerster in cassatie sub 1 (hierna: de curator).

Feiten

CompLions heeft op 23 december 2008 van ING een kredietofferte voor werkkapitaal geaccepteerd. Deze kredietofferte fungeerde tevens als pandakte en is op 31 december 2008 geregistreerd bij de Belastingdienst. In deze akte stond, voor zover hier van belang:

“Tot zekerheid van al hetgeen de kredietnemer schuldig is of wordt aan de kredietgever, verpandt de kredietnemer hierbij, voor zover nodig bij voorbaat, aan de kredietgever, die deze verpanding aanvaardt, alle huidige en toekomstige Bedrijfsactiva zoals omschreven in de Algemene Bepalingen van Pandrecht, voor zover niet eerder aan de kredietgever verpand […]”

Bedrijfsactiva werd in een bijlage bij de pandakte als volgt gedefinieerd:

Bedrijfsactiva: alle tot het bedrijf van de Pandgever behorende goederen waaronder begrepen, maar niet beperkt tot de Bedrijfsuitrusting, Tegoeden, Vorderingen en Voorraden met inbegrip van:

(I) cliëntenbestanden en de gegevensdragers waarop deze zich bevinden.

(II) goodwill, zijnde de meerwaarde van het bedrijf boven de som van vaste activa.”

CompLions heeft bij pandovereenkomst van 15 juli 2016 als pandgever ten behoeve van BDO Consultants B.V., verweerster in cassatie sub 2 (hierna: BDO, gezamenlijk met de curator de curator c.s.), een pandrecht gevestigd op “de haar in eigendom toebehorende (intellectuele eigendomsrechten met betrekking tot de) GRC-control (ISMScontrol) software”.

Op 16 mei 2017 is CompLions failliet verklaard. De curator heeft, met instemming van zowel ING als BDO, de auteursrechten op de software verkocht voor een bedrag van € 155.000. Vervolgens heeft ING bij de curator een vordering ingediend ten bedrage van € 140.951,13.

Het geding in eerste aanleg

 De curator c.s. vorderen een verklaring voor recht dat ING geen geldig pandrecht heeft verkregen op de auteursrechten van de software, alsook dat de betreffende verkoopopbrengst derhalve niet aan ING toekomt. De curator c.s. stellen dat met de pandakte ten behoeve van ING geen geldig pandrecht op de auteursrechten tot stand is gekomen, nu de omschrijving van het object van het pandrecht in die pandakte onvoldoende is bepaald, dan wel onvoldoende bepaalbaar is.

De rechtbank overweegt:

“[…] de categorie ‘goederen’ is de meest algemene aanduiding die de wet kent, en omvat zaken (zowel roerende als onroerende zaken) en vermogensrechten. Een pandrecht is slechts mogelijk op bepaalde categorieën goederen, te weten roerende zaken en rechten die geen registergoed zijn. Op onroerende zaken en overige registergoederen kan geen pandrecht maar een hypotheekrecht worden gevestigd. Alleen al hierom voldoet de omschrijving van het pandrecht in een pandakte die inhoudt dat het pandrecht wordt gevestigd op ‘alle huidige en toekomstige bedrijfsactiva’, waaronder wordt verstaan ‘alle tot het bedrijf van de pandgever behorende goederen’ niet aan de vereiste bepaalbaarheid. Onder die omschrijving vallen immers ook goederen waarop geen pandrecht mogelijk is. Bovendien zou ook een omschrijving die met bovenstaand wettelijk systeem rekening houdt (door als omschrijving te kiezen: alle roerende zaken en vermogensrechten voor zover deze geen registergoederen zijn) niet voldoen aan het bepaalbaarheidsvereiste.”

De rechtbank vervolgt haar oordeel door te verwijzen naar het (standaard)arrest HR 2 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842, NJ 2004/182, m.n.t. W.M. Kleijn (Mulder q.q./Rabobank), waarin de Hoge Raad tot uitgangspunt heeft genomen dat het voor het vestigen van een pandrecht voldoende is dat de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering(en) het gaat. Hierbij wijst de rechtbank er echter op dat het in dat arrest van de Hoge Raad niet gaat om een pandrecht op “alle goederen”, maar op een specifieke categorie goederen: vorderingen op derden. Dit type goederen wordt er bovendien door gekenmerkt dat hun bestaan en omvang uit de administratie kan worden afgeleid. Dat uitgangspunt geldt – kort gezegd – niet voor “alle goederen”.

Op grond van deze overwegingen wijst de rechtbank de vordering van de curator c.s. toe en verklaart voor recht dat geen geldig pandrecht tot stand is gekomen op het auteursrecht van de software.

Het geding in cassatie

ING en de curator c.s. zijn op de voet van art. 398 aanhef en onder 2 Rv sprongcassatie overeengekomen.

ING klaagt in cassatie dat de rechtbank heeft miskend dat ook voor de verpanding van andere goederen dan vorderingen op derden, aan het vereiste van voldoende bepaaldheid is voldaan als de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke goederen het gaat. Als de rechtbank dit niet heeft miskend, dan is het oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu ING zich op het standpunt heeft gesteld dat aan de hand van de pandakte voldoende kan worden vastgesteld dat alle voor verpanding vatbare goederen van CompLions zijn verpand, waaronder het auteursrecht van de software.

De Hoge Raad stelt voorop, in lijn met het (standaard)arrest HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4602, NJ 2004/278, m.nt. W.M. Kleijn, (De Liser de Morsain/Rabobank):

“3.2 Voor het antwoord op de vraag of partijen hebben bedoeld een bepaald goed te verpanden, is uitleg van de pandakte noodzakelijk. Bij die uitleg komt het aan op de zin die de pandgever en de pandhouder in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Een van die uitleg te onderscheiden en zelfstandig te beoordelen vraag is of is voldaan aan het uit art. 3:84 lid 2 BW in verbinding met art. 3:98 BW voortvloeiende vereiste dat de pandakte ten tijde van de verpanding het te verpanden goed in voldoende mate bepaalt. Aan dit bepaaldheidsvereiste is volgens vaste rechtspraak voldaan als de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welk goed het gaat.”

In het tweede deel van deze rechtsoverweging herhaalt de Hoge Raad hetgeen hij reeds enkele maanden eerder had beslist in arrest HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1841 (Holding BV/Heijmans Infra BV). Dit arrest is op deze plaats in CB 2019-143 besproken.

De Hoge Raad oordeelt op grond van de voorgaande overweging:

“3.3 […] De rechtbank heeft miskend dat de vraag of ten aanzien van het auteursrecht van CompLions op door haar ontwikkelde software is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste van art. 3:84 lid 2 BW in verbinding met art. 3:98 BW, moet worden beantwoord door te onderzoeken of de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld dat dit auteursrecht tot de verpande goederen behoort. Niet is vereist – anders dan de rechtbank heeft overwogen – dat bestaan en omvang van dit auteursrecht uit de administratie van CompLions kan worden afgeleid, of dat dit auteursrecht op de balans van CompLions is vermeld. Of het auteursrecht van CompLions op door haar ontwikkelde software behoort tot “alle huidige en toekomstige Bedrijfsactiva” van CompLions zoals vermeld in de pandakte (zie hiervoor in 2.1 onder (iii)), kan ook worden vastgesteld aan de hand van andere objectieve gegevens dan de administratie en de balans van CompLions.”

Volgt vernietiging van het vonnis van de rechtbank Amsterdam en terugverwijzing naar deze zelfde rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. Het oordeel van de Hoge Raad is in lijn met de conclusie van A-G Rank-Berenschot, wier conclusie overigens een zeer uitvoerige en lezenswaardige uiteenzetting bevat van het bepaaldheidsvereiste.

Share This