HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1136

De partij die zich ter vernietiging van een overeenkomst op wederzijdse dwaling (art. 6:228 lid 1 sub c BW) beroept, dient te stellen en eventueel bewijzen dat is voldaan aan de vereisten dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling, dat deze bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, en dat de wederpartij van dezelfde onjuiste veronderstelling is uitgegaan als de dwalende. Het is aan diens wederpartij om te stellen en eventueel bewijzen dat zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor de overeenkomst niet zou sluiten.

Achtergrond van deze zaak

De man – bestuurder en enig aandeelhouder van vennootschap X – en de vrouw zijn in 1983 onder huwelijkse voorwaarden getrouwd. In de huwelijkse voorwaarden is onder meer bepaald dat pensioenen slechts toekomen aan de echtgenoot aan wie ze zijn toegekend, zonder dat deze echtgenoot gehouden is een en ander te verrekenen. In 2000 zijn partijen gescheiden. In dat kader hebben zij – onder leiding van een advocaat en mediator – een echtscheidingsconvenant opgesteld, waarin in art. 1.6 een andersluidende pensioenafspraak is opgenomen.

De vrouw wenst in een door haar aanhangig gemaakte procedure (onder meer) aanspraak te maken op het ouderdomspensioen van de man, primair door verevening conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: “Wvps”). De man en vennootschap X (tezamen partij in de procedure) vorderen in voorwaardelijke reconventie, voor zover van belang, dat art. 1.6 van de echtscheidingsconvenant wordt vernietigd op grond van wederzijdse dwaling (art. 6:228 lid 1 sub c BW). De mediator zou partijen bij het aangaan van de overeenkomst onjuist hebben voorgelicht door mede te delen dat pensioenverevening wettelijk verplicht was.

Het hof heeft (voor zover van belang) voor recht verklaard dat het ouderdomspensioen dat door de man tijdens het huwelijk in eigen beheer is opgebouwd tussen de vrouw en de man dient te worden verevend conform de Wvps. Het hof heeft in dat verband het beroep van de man op wederzijdse dwaling verworpen en daartoe overwogen dat gesteld noch gebleken is dat de vrouw bij een juiste voorstelling van zaken had moeten begrijpen dat de man daardoor zou zijn afgehouden van het sluiten van de overeenkomst. De stelplicht en bewijslast van dit zogeheten “kenbaarheidsvereiste” rust daarmee, volgens het hof, op de dwalende.

De man en de vennootschap hebben tegen dit oordeel cassatieberoep ingesteld.

Cassatie  

In cassatie gaat het, voor zover relevant, om de stelplicht en bewijslast van de kenbaarheid van het causale verband bij wederzijdse dwaling. Volgens de man en de vennootschap heeft het hof miskend dat de wederpartij (de vrouw) had moeten stellen en bewijzen dat zij bij een juiste voorstelling van zaken niet had hoeven begrijpen dat de dwalende daardoor zou zijn afgehouden van het sluiten van de overeenkomst.

De klacht slaagt. De Hoge Raad overweegt daartoe in rov. 3.3.2 dat volgens art. 6:228 lid 1 sub c BW een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden. Vervolgens overweegt de Hoge Raad in rov. 3.3.3: 

“3.3.3 Op grond van de hoofdregel van art. 6:228 lid 1, aanhef en onder c, BW in verbinding met art. 150 Rv rust op de partij die zich ter vernietiging van een overeenkomst op wederzijdse dwaling beroept de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de vereisten dat de overeenkomst is tot stand gekomen onder invloed van dwaling, dat deze bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, en dat de wederpartij van dezelfde onjuiste veronderstelling is uitgegaan als de dwalende. Het is, mede blijkens het woord “tenzij” in de bepaling, vervolgens aan de wederpartij om bij wege van verweer tegen het dwalingsberoep te stellen en bij voldoende betwisting aannemelijk te maken dat zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden, met andere woorden, dat de relevantie van de dwaling ook bij een juiste voorstelling van zaken voor haar niet kenbaar zou zijn geweest.”

Door de stelplicht van het kenbaarheidsvereiste bij de dwalende (de man) te leggen, heeft het hof de in rov. 3.3.3 weergegeven verdeling van de stelplicht bij een beroep op wederzijdse dwaling miskend (rov. 3.3.4).

De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak naar het hof. Het beroep op dwaling zal door de rechter in feitelijke instanties opnieuw moeten worden onderzocht.

Share This