HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2905

Met het instellen van beroep tegen het deel van de deeluitspraak dat als een tussenuitspraak is aan te merken, mag worden gewacht tot op het desbetreffende gedeelte van het gevorderde einduitspraak is gedaan.

Dit is op zichzelf geen nieuwe regel; de Hoge Raad had dit al uitgemaakt in het arrest Vendex/Meiberg uit 1990 (NJ 1992, 85). Toen gold wel nog een regeling waarbij tussentijds beroep van tussenuitspraken openstond, tenzij dit was uitgesloten, terwijl dat sinds 2002 omgekeerd is: nu mag tegen tussenuitspraken alleen tussentijds beroep worden ingesteld met verlof van de rechter die de tussenuitspraak heeft gewezen. Ook onder het huidige stelsel geldt echter dat bij tussentijds beroep tegen de einduitspraakcomponent van een deeluitspraak ook klachten (grieven, middelen) mogen worden gericht tegen de tussenuitspraakcomponent (zie het arrest Ponteecen/Stratex uit 2004). Mogen, niet moeten: wie opkomt tegen het einduitspraakdeel van een deeluitspraak, mag met het beroep tegen het tussenuitspraakdeel ook wachten tot een volgende beroepsgelegenheid. Of dat praktisch is, is een andere vraag.

Eindbeslissingen in conventie en reconventie

Maar wanneer moet nu beroep worden ingesteld tegen eindbeslissingen waarop het eindvonnisdeel is gegrond, maar die ook nog van belang zijn voor het tussenvonnisdeel?

Deze zaak ging over twee partijen die in de vis zaten. Eisers vorderden een contractuele boete en schadevergoeding omdat verweerders ondanks overeengekomen exclusiviteit vis hadden afgenomen van een andere partij. Verweerders vorderden in reconventie ontbinding van de overeenkomst wegens een tekortkoming in de nakoming.

De rechtbank wees in een deelvonnis de reconventionele eis toe: de overeenkomst werd ontbonden wegens niet-nakoming van een leveringsplicht, waardoor eiser in verzuim was geraakt. In conventie werd de zaak aangehouden. Bij eindvonnis werd ook de conventionele eis toegewezen. Eiser kwam vervolgens in (incidenteel) appel van zowel het deelvonnis als het eindvonnis en betoogde onder meer dat hij geen leveringsplicht had, dus dat hij daarin ook niet was tekortgeschoten. In die grieven was eiser volgens het hof niet ontvankelijk, omdat de bestreden eindbeslissingen ten grondslag lagen aan de in het deelvonnis uitgesproken ontbinding. Daar had eiser volgens het hof dan al binnen de appeltermijn na het deelvonnis tegen moeten grieven.

Nee, dat hoefde nog niet, betoogt de eiser in cassatie, voor zover die eindbeslissingen relevant waren voor de eis in conventie. Volgens A-G Wesseling-van Gent heeft het hof het echter goed gedaan: het verzuim van eiser in zijn leveringsverplichting was zowel de grondslag voor de ontbinding, als de grondslag van het verweer van verweerder tegen de eis in conventie. Aangezien de ontbinding kracht van gewijsde had gekregen, gold dat ook voor de eindbeslissingen die daaraan ten grondslag lagen, ook in de context van de conventionele vordering, waar nog niet op was beslist. Die redenering is verwant aan de redenering van de Hoge Raad in het veelbesproken arrest F./KSN, die erop neerkomt dat de eindbeslissingen die aan een gedeeltelijke toewijzing ten grondslag liggen, gezag van gewijsde krijgen als de gedeeltelijke toewijzing in appel niet wordt bestreden, ook voor zover ze gaan over het afgewezen deel van de vordering.

Maar de Hoge Raad vernietigt toch. Hij overweegt eerst dat eiser belang bij zijn klacht heeft, omdat volgens de rechtbank eiser in sommige weken wel, en in andere weken niet in schuldeisersverzuim was geweest met het leveren van vis, zodat eiser nog steeds over die andere weken verweerders aan hun afnameverplichting kon houden. Die afnameverplichting was door de ontbinding niet met terugwerkende kracht komen te vervallen. Vervolgens beslist de Hoge Raad:

“Indien in een uitspraak door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt aan de instantie, is in zoverre sprake van een einduitspraak. De appel- of cassatietermijn tegen dat gedeelte van de uitspraak begint te lopen op de dag na die uitspraak. Indien een partij tegen dat deel van de uitspraak wil opkomen, mag hij daarom niet wachten tot de einduitspraak, maar moet hij meteen beroep instellen. Dit geldt echter alleen voor het onderdeel van het gevorderde waaraan in het dictum van de deeluitspraak een einde is gemaakt. Wat betreft het deel van de uitspraak dat als een tussenuitspraak is aan te merken, mag met het instellen van beroep worden gewacht tot op het desbetreffende gedeelte van het gevorderde einduitspraak is gedaan (HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0076, NJ 1992/85). Het hof heeft dan ook ten onrechte in rov. 3.2 geoordeeld dat [eiser] wegens overschrijding van de appeltermijn niet-ontvankelijk is in haar grieven die zijn gericht tegen de in die overweging vermelde eindbeslissingen. Het onderdeel is dus gegrond.”

Deze overwegingen maken helaas niet echt duidelijk waarom de Hoge Raad is afgeweken van de conclusie van de A-G.

Men zou in deze overwegingen kunnen lezen dat het “einduitspraakgedeelte” van een deelvonnis alleen het dictum zelf is, en niet de voor dat dictum dragende eindbeslissingen. Dat lijkt niet erg waarschijnlijk (zie ook de conclusie-AG onder 2.5 en voetnoot 11); dat zou ook impliceren dat als een rechtbank eerst in een deelvonnis een verklaring voor recht uitspreekt dat onrechtmatig is gehandeld en zij in het eindvonnis de veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, bij het hoger beroep tegen die laatste veroordeling alsnog de eindbeslissingen in het deelvonnis over de onrechtmatigheid aan bod kunnen komen. Dat kan ik mij niet goed voorstellen. Een andere lezing zou kunnen zijn dat de Hoge Raad hier de vorderingen in conventie en reconventie als niet geheel afhankelijk van elkaar beschouwt in die zin dat het niet erg is als de uitspraak van het hof in conventie tegenstrijdig zou zijn met de (inmiddels onherroepelijke) uitspraak van de rechtbank in reconventie. Dan lijkt de zaak mogelijk op het geval dat zich voordeed in X/LTO Noord.

Maar misschien is deze uitspraak ook helemaal niet zo principieel bedoeld. Het ging kennelijk om een omvangrijk dossier met tal van stellingen en verwijten over en weer. Mogelijk was in cassatie niet zonder meer duidelijk of de grondslag voor de vorderingen in conventie en in reconventie voor al die vorderingen dezelfde was. Wellicht heeft de Hoge Raad daarom gewoon ervoor gekozen die vraag (met een feitelijk karakter) weer bij het gerechtshof neer te leggen.

Share This