HR 2 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:920

Ambtshalve peremptoir gesteld na zeven aanhoudingen voor grieven onttrekt de advocaat van appellant zich. Het hof verleent direct akte niet-dienen. Daarmee heeft het hof het art. 6.2 en 6.3 van het pilotreglement geschonden: het hof had uitstel moeten verlenen wegens de onttrekking.

Nadat aan appellant enkele malen uitstel was verleend voor het nemen van de memorie van grieven, heeft het hof hem een laatste uitstel verleend en de zaak daartoe verwezen naar de rol van 7 mei 2013. Op 7 mei heeft de advocaat van eiser zich onttrokken. Het hof heeft op die datum ambtshalve akte niet-dienen verleend en de zaak verwezen naar de rol van 21 mei 2013 voor het stellen van een nieuwe advocaat. Dat is gebeurd en de nieuwe advocaat heeft om een termijn van vier weken verzocht voor het nemen van de grieven. Het hof heeft die termijn niet verleend. Uiteindelijk heeft het hof eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep op de grond dat hij geen grieven heeft aangevoerd.

In cassatie klaagt appellant over schending door het hof van art. 6.2 en 6.3 van het pilotreglement van het hof Den Bosch door bij rolbeschikking van 7 mei 2013 akte van niet-dienen te verlenen en daarop in de latere rolbeschikkingen en het eindarrest niet terug te komen. Volgens art. 6.2 en 6.3 van het pilotreglement wordt in geval van onttrekking door een advocaat de zaak in de stand waarin zij zich bevindt verwezen naar de roldatum gelegen op een termijn van twee weken later voor het stellen van een nieuwe advocaat. Deze artikelen zijn gelijk aan art. 6.2 en 6.3 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven. Het hof had de zaak dan ook naar 21 mei 2013 moeten verwijzen in de staat waarin deze op 7 mei 2013 verkeerde, te weten partij-peremptoir voor indienen van de memorie van grieven.

A-G Wuisman concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Volgens hem kan vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval niet worden gezegd dat het hof art. 6.3 van het pilotreglement heeft geschonden. Hij verwijst hierbij naar art. 1.15, waarin is bepaald dat indien omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, het hof van het reglement kan afwijken. Deze bijzondere omstandigheden ziet de A-G in de gang van zaken zoals die blijkt uit het roljournaal: hij meent dat eiser bezig was met het frustreren van het goede verloop van de appelprocedure die door hem zelf al op 12 december 2011 was gestart. Er was al zeven keer uitstel verleend voor grieven, en precies toen het hof eiser ambtshalve peremptoir had gesteld, wisselde appellant van advocaat.

De Hoge Raad gaat hier echter niet in mee en overweegt:

“Uit de hiervoor in 3.1 weergegeven gang van zaken volgt dat de zaak op 7 mei 2013 – de datum waarop de zaak vanwege de onttrekking van mr. Van Rooij (twee weken) werd aangehouden tot 21 mei 2013 – peremptoir stond voor grieven. Ingevolge art. 6.3 van het pilotreglement stond de zaak op 21 mei 2013 derhalve nog steeds peremptoir voor grieven, zodat [eiser] op die datum alsnog van grieven moest dienen, tenzij het hof hem daartoe (conform het verzoek van mr. Houben) een eenmalig uitstel van vier weken had verleend. Het hof heeft de art. 6.2 en 6.3 van het pilotreglement geschonden door reeds op 7 mei 2013 akte niet-dienen te verlenen en in het verlengde daarvan op 21 oktober 2014 [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep op de grond dat hij geen grieven heeft aangevoerd (vgl. HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1259, NJ 2013/574 [CB 2013-190]). Het middel is dus gegrond.”

Share This