Selecteer een pagina

HR 19 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:423

Een waargenomen notaris kan voor zijn beroep tegen een benoeming van een waarnemer terecht bij de Hoge Raad als civiele rechter, maar niet als bestuursrechter. De waargenomen notaris moet worden gehoord over een benoeming voor langer dan een jaar, maar dat heeft het hof niet miskend. 

Ontvankelijkheid cassatieberoep tegen (her)benoeming waarnemer van notaris

Deze zaak gaat over de (her)benoeming van een notaris als waarnemer door de voorzitter van de kamer voor het notariaat op de voet van art. 29 Wet op het Notarisambt (Wna).

De oud-notaris, wiens praktijk zou worden waargenomen, had bij de Hoge Raad een “Hoger beroepschrift ex artikel 29 lid 3 Wet op het Notarisambt, subsidiair verzoek tot cassatie” ingediend. Uit dit processtuk bleek dat de oud-notaris de beslissing van het Hof Amsterdam bij de Hoge Raad bestreed met een ‘bestuursrechtelijk hoger beroep’. Dit beroep is volgens de Hoge Raad niet ontvankelijk (rov. 3.2). De kamer voor het notariaat en de voorzitter van de kamer voor het notariaat zijn geen bestuursorganen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die (mede) met rechtspraak zijn belast als bedoeld in art. 1:1 lid 2, onder c, Awb. Tegen hun beslissingen staat dan ook geen bestuursrechtelijk beroep open, maar slechts beroep bij de gewone rechter, aldus de Hoge Raad.

De oud-notaris had ook een cassatieberoep ingediend bij de Hoge Raad als ‘gewone’ (civiele) rechter. Dit beroep is wel ontvankelijk (rov. 3.5). Art. 29 lid 3 Wna bepaalt dat het beroep tegen een benoeming van een waarnemer door de voorzitter van de kamer voor het notariaat moet worden ingesteld bij het Hof Amsterdam. Maar de Wna sluit een cassatieberoep tegen het oordeel van dat hof niet uit. De Hoge Raad valt daarom terug op de algemene Wet op de Rechterlijke Organisatie (RO). Art. 78 lid 1 RO bepaalt in algemene zin dat de Hoge Raad kennisneemt van het cassatieberoep tegen beslissingen van de gerechtshoven. De Hoge Raad kan daarom kennisnemen van het (civiele) beroep van de oud-notaris. Advocaat-Generaal Vlas had op dit punt nog anders geconcludeerd in zijn eerste conclusie ( onder 2.7-2.12; volledigheidshalve: de tweede  conclusie van de A-G is  hier te vinden).

Verlenging van de waarneming en recht om gehoord te worden van de waargenomen notaris

De oud-notaris klaagde in zijn cassatieberoep, heel kort samengevat, dat de waarneming te lang duurde om nog voor zijn rekening te laten komen, dat de waargenomen notaris erop mag vertrouwen dat de waarneming na één jaar eindigt en dat hij over een verlenging moet worden gehoord. De Hoge Raad verwerpt dit beroep (rov. 4.2-4.5). Hoewel art. 29 lid 4 Wna bepaalt dat de periode van waarneming niet langer kan zijn dan één jaar ingeval van een volledige waarneming, bevat deze bepaling ook een uitzonderingsclausule. De kamer voor het notariaat kan op grond van die bepaling in bijzondere gevallen ontheffing van de éénjarige termijn verlenen. Hierover moet de notaris inderdaad worden gehoord, maar dat heeft het hof niet miskend, aldus de Hoge Raad.

Share This