Selecteer een pagina

HR 16 september 2011, LJN ECLI:NL:HR:2011:BQ7051 (Erasmus c.s./SGS).

Wanneer het arrest van het hof in een bodemprocedure door de Hoge Raad is vernietigd, dient het arrest van het hof in een daarmee samenhangende (maar tussen andere partijen gevoerde) procedure in kort geding, voor zover het hof ter onderbouwing van zijn oordeel naar zijn eerdere door de Hoge Raad vernietigde arrest heeft verwezen, eveneens te worden vernietigd.

Deze zaak in kort geding hangt samen met de zaak in de bodemprocedure waarin de Hoge Raad op 15 april 2011 het arrest van het hof heeft vernietigd, hier eerder besproken op dit blog.

In beide procedures gaat om de bewaarneming van een partij cacao. Nadat het vermoeden was ontstaan dat de cacao vervuild was door asbest, heeft de bewaarnemer de cacao laten reinigen en naar andere loodsen verplaatst. In de bodemprocedure heeft de bewaarnemer de kosten van deze maatregelen als bereddingskosten gevorderd van haar verzekeraars en twee gevolmachtigden (van verzekeraars). De verzekeraars hebben zich onder andere verweerd met de stelling dat geen sprake is van bereddingskosten. Rechtbank en hof hebben de vordering van de bewaarnemer jegens de verzekeraars toegewezen en de vordering jegens de gevolmachtigden afgewezen. Het arrest van het hof is door de Hoge Raad vernietigd. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof dat sprake was van bereddingskosten ontoereikend was gemotiveerd.

Nadat de rechtbank in de bodemprocedure de vordering van de bewaarnemer jegens de gevolmachtigden had afgewezen, is de bewaarnemer een parallelle procedure gestart: hij heeft in kort geding van de verzekeraars die zich van een gevolmachtigde hadden bediend, betaling gevorderd overeenkomstig zijn vordering jegens de andere verzekeraars in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter heeft het verweer van de verzekeraars dat van bereddingskosten geen sprake was, ongegrond verklaard en de vordering van de bewaarnemer toegewezen. Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. De grief tegen de verwerping van het verweer van de verzekeraars over de bereddingskosten heeft het hof verworpen onder verwijzing naar zijn beslissing in de bodemprocedure. De Hoge Raad vernietigt nu het in dit kort geding gewezen arrest van het hof, omdat het hof ter onderbouwing van zijn oordeel omtrent de bereddingskosten heeft verwezen naar het door de Hoge Raad op dat punt vernietigde arrest in de bodemprocedure.

Op het eerste gezicht lijkt hier gewoon de regel van het “primaat van de bodemrechter” te zijn toegepast, die inhoudt dat de rechter in kort geding bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de gevorderde voorziening in beginsel zijn oordeel moet afstemmen op het oordeel van de bodemrechter, zonder daarbij de kans van slagen van een mogelijk tegen het vonnis van de bodemrechter in te stellen rechtsmiddel te betrekken. Op dit beginsel is een uitzondering mogelijk als het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en indien de zaak zo spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht (zie HR 19 mei 2000, LJN ECLI:NL:HR:2000:AA5870 (Staat/NVV)). Verder geldt, zo wordt aangenomen, de algehele uitzondering dat de feiten en omstandigheden die ten grondslag lagen aan het oordeel van de bodemrechter dermate zijn gewijzigd dat de bodemrechter bij wetenschap daarvan tot een ander oordeel zou zijn gekomen.

Toch is dit niet precies wat hier is gebeurd. De regel van het “primaat van de bodemrechter” veronderstelt dat de bodemprocedure en de procedure in kort geding tussen dezelfde partijen worden gevoerd (zie ook de conclusie van A-G Keus voor HR 21 april 2006, LJN ECLI:NL:HR:2006:AV0641 onder 2.6). Dat was in deze zaak niet zo: in de bodemprocedure heeft de bewaarnemer verzekeraars en twee gevolmachtigden van verzekeraars gedagvaard, in de procedure in kort geding heeft de bewaarnemer de verzekeraars die gebruik hadden gemaakt van gevolmachtigden gedagvaard. Dat het oordeel in de procedure in kort geding overeenstemt met het oordeel in de bodemprocedure en dit oordeel in die zin volgt, vloeit dus enkel voort uit het feit dat de twee procedures gebaseerd zijn op dezelfde feiten en omstandigheden en in beide zaken de vraag aan de orde was of de kosten die door de bewaarnemer zijn gemaakt kunnen worden aangemerkt als bereddingskosten. Kern van dit arrest is dus niet zozeer dat het oordeel van de bodemrechter vóórgaat op dat van de kortgedingrechter, maar dat een oordeel dat inhoudelijk is gebaseerd op een (in cassatie vernietigd) arrest van het hof in de bodemprocedure, alleen al om die reden niet in stand kan blijven.

Share This