HR 30 maart 2012, LJN BU8514 (X/Krediet Specialist Nederland)

Wanneer de vordering van de oorspronkelijk eiser gedeeltelijk is toegewezen en de oorspronkelijk gedaagde/geïntimeerde tegen deze toewijzing geen incidenteel appel heeft ingesteld, brengt de devolutieve werking van het appel niet mee dat een verweer van geïntimeerde waarop (ook) het toewijzende deel van het bestreden vonnis berust, in hoger beroep opnieuw aan de orde kan komen. Het niet bestreden deel van het vonnis – dat op de verwerping van dat verweer berust – heeft immers gezag van gewijsde verkregen. Daarmee is niet verenigbaar dat de appelrechter opnieuw over dat verweer zou kunnen oordelen en daarbij mogelijk tot een ander oordeel zou komen.

In deze zaak gaat het om een loonvordering van eiser tot cassatie (hierna: X), die is gebaseerd op de stelling dat tussen hem en verweerster in cassatie (KSN) tussen 20 november 2007 en 20 mei 2008 een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. KSN heeft tegen die vordering primair het verweer gevoerd dat tussen partijen helemaal geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Subsidiair betoogde KSN dat X hooguit over de periode van 1 januari tot 1 april 2008 aanspraak zou hebben op betaling van loon, aangezien hij daarvoor en daarna nog niet/niet meer zijn arbeidskracht ter beschikking van KSN heeft gesteld.

De kantonrechter heeft het primaire verweer van KSN verworpen en geoordeeld dat over de hele periode die inzet is van het geschil – 20 november 2007 tot en met 20 mei 2008 – tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Wel achtte de kantonrechter het subsidiaire verweer van KSN gegrond. De loonvordering van X werd daarom door de kantonrechter alleen over de periode 1 januari – 1 april 2008 toegewezen.

X heeft tegen het vonnis van de kantonrechter hoger beroep ingesteld voor zover zijn loonvordering was afgewezen; KSN heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld. In hoger beroep ging het dus nog slechts om de vraag of de loonvordering van X over de perioden 20 november 2007 tot 1 januari 2008 en 1 april 2008 tot en met 20 mei 2008 toewijsbaar was. Het hof heeft daarbij als uitgangspunt genomen dat – gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep – voor die twee perioden eerst moest worden beoordeeld of tussen X en KSN een arbeidsovereenkomst had bestaan. KSN had dit (primaire) verweer in hoger beroep namelijk niet prijsgegeven. In zijn eindarrest is het hof vervolgens tot het oordeel gekomen dat KSN erin was geslaagd te bewijzen dat géén arbeidsovereenkomst met X heeft bestaan.

In cassatie klaagt X dat het hof met dit oordeel de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep heeft miskend. Nu KSN geen incidenteel appel had ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter dat van 20 november 2007 tot 20 mei 2008 tussen dus ook in de door de grieven bedoelde perioden, stond dit in hoger beroep vast, aldus X.

Deze klacht doet de vraag rijzen naar de verhouding tussen de devolutieve werking van het hoger beroep, en de noodzaak voor de geïntimeerde om incidenteel appel in te stellen tegen beslissingen die in eerste aanleg hebben geleid tot een dictum dat voor hem (geheel of gedeeltelijk) ongunstig is. Op zichzelf is vaste rechtspraak, dat binnen het geschil zoals dat in hoger beroep – door middel van grieven – ter beordeling is voorgelegd, het appel devolutieve werking heeft. Dit houdt kort gezegd in dat wanneer een grief tot vernietiging van de bestreden uitspraak zou moeten leiden, de appelrechter ook de verweren over dat geschilpunt die de geïntimeerde in eerste aanleg al had aangevoerd, in de behandeling moet betrekken. Wanneer dit uitgangspunt strikt wordt doorgeredeneerd, lijkt daaruit te volgen dat het hof in dit geval terecht het primaire verweer van KSN had gehonoreerd. De grieven van X stelden immers aan de orde of de kantonrechter over de periode vóór 1 januari 2008 en na 1 april 2008 de vordering van X had mogen afwijzen op de grond dat X in die periode niet beschikbaar was voor werk. Gegrondbevinding van deze grief zou meebrengen dat ook het primaire verweer van KSN – er bestond tussen partijen helemaal geen arbeidsovereenkomst – weer relevant zou zijn en beoordeeld zou moeten worden.

Bijzonderheid in deze zaak is echter dat de kantonrechter over de periode tussen 1 januari en 1 april 2008 de vordering van X had toegewezen. Het dictum van het vonnis van de kantonrechter was dus voor KSN deels gunstig en deels ongunstig. Dit betekent, zo stelt de Hoge Raad vast, dat het toewijzende deel van het vonnis van de kantonrechter (voor zover de loonvordering de periode 1 januari tot 1 april 2008 betrof) in kracht van gewijsde is gegaan. En dit heeft weer tot gevolg dat het oordeel van de kantonrechter waarop die toewijzing berust – het oordeel dat (ook) over die periode een arbeidsovereenkomst tussen X en KSN heeft bestaan – gezag van gewijsde heeft verkregen, en ook in een ander geding tussen partijen zou kunnen worden ingeroepen (art. 236 Rv). Om deze reden kan de hoofdregel van devolutieve werking in dit specifieke geval naar het oordeel van de Hoge Raad geen toepassing vinden:

“In een zodanig geval kan met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige onherroepelijke rechterlijke uitspraken, niet worden aanvaard dat in een door de appellant tegen het voor hem ongunstige gedeelte van het dictum ingestelde hoger beroep het primaire verweer van de geïntimeerde op grond van de hiervoor in 3.3.2 genoemde hoofdregel van de devolutieve werking opnieuw zou kunnen (en moeten) worden beoordeeld, zonder dat de geïntimeerde incidenteel appel heeft ingesteld – ook niet voorwaardelijk – tegen het voor hem ongunstige, op de verwerping van zijn verweer berustende gedeelte van het dictum teneinde te voorkomen dat dit gedeelte van het dictum in kracht van gewijsde gaat en de daaraan ten grondslag liggende beslissing van de eerste rechter gezag van gewijsde verkrijgt. Onbeperkte toepassing van de genoemde hoofdregel van de devolutieve werking zou immers tot gevolg kunnen hebben dat – zoals in deze zaak is gebeurd – de appelrechter over hetzelfde geschilpunt een ander oordeel bereikt dan de eerste rechter, zodat na het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak van de appelrechter met betrekking tot dat geschilpunt twee tegenstrijdige onherroepelijke rechterlijke beslissingen met gezag van gewijsde zouden bestaan.”

KSN had dus, om haar verweer met betrekking tot het ontbreken van een arbeidsovereenkomst in hoger beroep nog beoordeeld te krijgen, toch incidenteel appel moeten instellen, ook al legde zij zich neer bij de toewijzing van de loonvordering over een deel van de gevorderde periode. Dit arrest van de Hoge Raad onderstreept weer eens hoe complex en genuanceerd het systeem van grievenstelsel en devolutieve werking inmiddels is geworden. De geïntimeerde die zich wil neerleggen bij beslissingen in eerste aanleg die in het principale appel niet zijn bestreden, doet er goed aan om nauwkeurig te bezien of het instellen van incidenteel appel toch niet noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat zijn verweren die hij niet wil prijsgeven, in hoger beroep nog volledig aan de orde kunnen komen.

Share This