Selecteer een pagina

HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404

De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept.

De overwegingen van de Hoge Raad in dit arrest over de betekenis van producties zijn geen nieuws. Het enkel in het geding brengen van stukken volstaat niet, een advocaat zal duidelijk moeten maken op welk in die stukken genoemd feit een partij zich ter ondersteuning van haar standpunt beroept. Het arrest is een bevestiging van de vaste rechtspraak. Die vaste rechtspraak komt aan de orde in de context van beroepsaansprakelijkheid van de cassatieadvocaat.

Het begint, zoals wel vaker, betrekkelijk eenvoudig. Een werkneemster stelt haar werkgeefster aansprakelijk voor schade wegens  gezondheidsklachten die zij tijdens haar werkzaamheden zou hebben opgelopen. Voor aansprakelijkheid is uiteraard allereerst nodig dat de werkneemster in de periode waarin bepaalde feiten zouden zijn voorgevallen aan het werk was. Bij de rechtbank had de werkgeefster met stukken onderbouwd gesteld dat de werkneemster in de bewuste periode niet aanwezig was geweest wegens ziekte die geen verband had gehouden met haar werkzaamheden. In de memorie van grieven had de werkneemster dat betwist. Zij had verder een productie in het geding gebracht, notulen van een werkoverleg, waarin was te lezen dat zij in de bewuste periode haar werkzaamheden op therapeutische basis had hervat. Naar die productie had zij in dit kader echter in haar memorie van grieven niet verwezen. Het hof had geoordeeld dat de werkneemster tegenover het door de werkgeefster aangevoerde onvoldoende had gesteld. Het tegen dit in arrest ingestelde cassatieberoep was geëindigd in een verwerping met art. 81 RO.

De werkneemster vindt vervolgens dat de cassatieadvocaat haar werk niet goed heeft gedaan. Zij vordert in de onderhavige procedure ontbinding van de overeenkomst van opdracht en schadevergoeding.

De rechtbank vindt wel onjuist dat de cassatieadvocaat in het middel niet heeft  verwezen naar de passage in de memorie van grieven waarin namens de werkneemster haar afwezigheid was betwist, maar ziet geen causaal verband met de gestelde schade, nu in de memorie niet was verwezen naar de notulen van het werkoverleg. Het hof had daarop dus geen acht hoeven slaan. In appel denkt het hof (een ander hof) daarover anders, zet zich aan kansberekening, en kent schadevergoeding toe. De oorspronkelijke cassatieadvocaat gaat in cassatie, met succes.

De Hoge Raad leest in het middel de klacht dat het hof als beroepsfout mede heeft aangemerkt het feit dat de cassatieadvocaat niet had verwezen naar de notulen van het werkoverleg. Dat was de productie waarnaar in de memorie van grieven in het relevante kader niet was verwezen. Deze klacht slaagt. De Hoge Raad wijst op zijn vaste rechtspraak:

“De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 1992/814 en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810 , NJ 1999/342). De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (vgl. HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1176, NJ 1994/686).”

Gelet op deze vaste rechtspraak kon de cassatieadvocaat volgens de Hoge Raad niet als beroepsfout worden aangerekend dat zij niet naar de notulen van het werkoverleg had verwezen, omdat het hof niet met een bepaalde passage in die notulen rekening had hoeven houden.

De Hoge Raad doet de zaak zelf af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot verwerping, hij had dit punt gezien als een feitelijke beoordeling en die aan het hof gelaten (onderdeel 2.13).

Share This