Selecteer een pagina

HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2009

Een eiswijziging in hoger beroep hoeft volgens het Curaçaose procesrecht niet te worden getoetst aan de tweeconclusieregel. Of een eiswijziging in hoger beroep volgens het Curaçaose procesrecht is toegestaan, moet worden getoetst aan de eisen van een goede procesorde en de (overige) daarvoor geldende wettelijke bepalingen.

Achtergrond

Deze Caribische zaak betreft een vaststellingsovereenkomst die een einde moest maken aan een geschil vanwege hinder voor Lions Dive Hotel & Marina B.V., verweerster in cassatie, als gevolg van de aanleg door CPA c.s., verzoeksters tot cassatie, van een schiereiland tegenover het hotelcomplex van Lions Dive. In cassatie is aan de orde hoe deze overeenkomst moet worden uitgelegd. Deze kwestie doet de Hoge Raad af met art. 81 RO.

Daarnaast is de vraag aan de orde of de toelaatbaarheid van een eiswijzing in appel in het Curaçaose procesrecht niet alleen door de eisen van een goede procesorde, maar ook door de tweeconclusieregel wordt bepaald.

Cassatie

Aan de hand van art. 109 jo. 278 van het Curaçaose procesrecht (hierna: “RvC”) moet worden bepaald of, en zo ja in hoeverre, een eiswijziging in hoger beroep mogelijk is. Volgens dit regime is ook in hoger beroep een wijziging van eis (dan wel de gronden daarvan) mogelijk zolang er geen eindvonnis is gewezen, tenzij een dergelijke wijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De vraag die CPA c.s. in cassatie aan de orde stellen, is of een eiswijziging in hoger beroep uitsluitend aan art. 109 jo. 278 RvC moet worden getoetst (en daarmee in wezen enkel aan de eisen van een goede procesorde) of ook aan de tweeconclusieregel die in het Nederlandse procesrecht uitwerking heeft gekregen.

A-G Hartlief merkt in zijn conclusie voor dit arrest op dat de Hoge Raad zich nog niet (althans niet uitdrukkelijk) heeft uitgelaten over deze vraag en dat de aandacht in de doctrine voor deze kwestie beperkt is. Hij komt – na bespreking van de “wezenlijke verschillen” tussen het Nederlandse en het Curaçaose appelprocesrecht – tot de conclusie dat een eiswijziging na een eventuele memoriewisseling is toegestaan, zolang deze niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Van een zelfstandige toets in het kader van de toelaatbaarheid van een eiswijziging in appel náást de eisen van een goede procesorde is volgens hem dan ook geen sprake.

De Hoge Raad volgt de A-G. De Hoge Raad stelt daarbij voorop dat volgens het Curacaose procesrecht partijen in hoger beroep bij pleidooi hun reeds aangevoerde stellingen en verweren mogen toelichten, verbeteren en aanvullen. Dit geldt ook in het geval partijen de gelegenheid krijgen om een akte te nemen. De Hoge Raad vervolgt:

“Ook met een eiswijziging die niet reeds in de memorie van grieven of memorie van antwoord is gedaan, mag de rechter, mede gelet op de ingevolge art. 271 en art. 274 Rv Curaçao (hierna: RvC) geldende korte, niet-verlengbare termijnen voor het indienen van een memorie van grieven of memorie van antwoord, rekening houden indien die eiswijziging aan de daarvoor geldende wettelijke bepalingen voldoet. Onverkort blijft dan gelden, mede gelet op het bepaalde in art. 109 lid 1 RvC in verbinding met art. 278 RvC, dat de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde.”

Volgt verwerping. CPA c.s. zijn in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk.

Share This