Selecteer een pagina

HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1181 (IMPI/X)

Indien zekerheidstelling wordt gelast is het, in verband met de eisen van art. 6:51 lid 2 BW, niet nodig dat een schriftelijke depotovereenkomst wordt gesloten als het door de rechter bepaalde bedrag op een notariële kwaliteitsrekening wordt gestort en aan zekerheidstelling ook geen verdere eisen zijn gesteld. Beoordeeld moet dan worden of de verweerder ten behoeve van wie zekerheid is gesteld in de omstandigheden van het geval zonder moeite verhaal kan nemen op de depotstorting. 

Tussen IMPI en verweerder is een geschil gerezen over de levering van benodigdheden voor de winning van olie. IMPI vordert in dat verband ongeveer € 3,2 mln. van verweerder. In eerste aanleg is die vordering afgewezen en IMPI heeft hoger beroep ingesteld. Bij incidentele vordering eiste verweerder zekerheidstelling op de voet van art. 224 Rv. Omdat IMPI in Iran is gevestigd en (daarom) geen van de in art. 224 lid 2Rv genoemde uitzonderingen zich voordoet, dient zij volgens het hof zekerheid te stellen voor de proceskosten door middel van een bankgarantie of een depotstorting op de derdenrekening van een Nederlandse notaris. IMPI koos voor het laatste en betaalde het door het hof bepaalde bedrag van €25.754,50 op een notariële derdenrekening binnen de door het hof voor zekerheidstelling bepaalde termijn (het hof had de oorspronkelijk bepaalde termijn op verzoek van IMPI overigens nog verlengd), maar ondertekende de depotovereenkomst pas na die termijn. Verweerder betoogde vervolgens dat niet tijdig aan de door het hof gestelde vereisten voor zekerheidstelling was voldaan en het hoger beroep daarom niet ontvankelijk diende te worden verklaard. Het hof volgde verweerder in dat betoog omdat IMPI niet een tijdig ondertekende depotovereenkomst in het geding had gebracht. Het hof ging verder voorbij aan de stelling van IMPI dat al eerder een mondelinge depotovereenkomst zou zijn gesloten.

IMPI stelt cassatieberoep in en vindt de Hoge Raad aan haar zijde. De strekking van art. 224 Rv is volgens de Hoge Raad te voorkomen dat een in het gelijk gestelde gedaagde wordt geconfronteerd met oninbaarheid van een proceskostenveroordeling als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging daarvan in het land waar de eiser zijn woonplaats heeft. Wanneer sprake is van het stellen van zekerheid door depotstorting geldt volgens de Hoge Raad dat indien de eiser in de proceskosten wordt veroordeeld, de wederpartij gerechtigd is tot uitbetaling van het in depot gegeven bedrag tot het bedrag van de proceskostenveroordeling, tenzij de proceskostenveroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad is en tegen die uitspraak een rechtsmiddel is ingesteld. De eiser is, aldus de Hoge Raad, gerechtigd tot uitbetaling van het in depot gegeven bedrag indien het geding definitief tot een einde is gekomen zonder dat hij in de proceskosten van de desbetreffende instantie is veroordeeld. De notaris is ook gehouden om, zodra hij zich ervan heeft kunnen vergewissen dat aan de voorwaarden voor uitbetaling is voldaan, gevolg te geven aan een hem gedaan verzoek om uitbetaling.

Omdat het hof geen verdere instructies over de zekerheidstelling had gegeven betekent dit volgens de Hoge Raad dat de gestelde zekerheid voldoet indien verweerder op het in depot gestorte bedrag zonder moeite verhaal zal kunnen nemen. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat een zekerheidstelling door middel van een depotstorting op een notariële kwaliteitsrekening slechts aan de vereisten van art. 6:51 lid 2 BW kan voldoen indien deze gepaard gaat met een schriftelijk aangegane depotovereenkomst, is het volgens de Hoge Raad dus uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Als dat niet het geval is, is de beslissing onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft volgens de Hoge Raad immers niet beoordeeld of verweerder in de omstandigheden van het geval op de depotstorting zonder moeite verhaal zal kunnen nemen.

De Hoge Raad doet de zaak vervolgens zelf af en bepaalt dat aan de eisen voor zekerheidstelling is voldaan.

Share This