HR 15 juni 2012, LJN BW1726 (De Kerseboom/Ontvanger)

De beantwoording van de vraag of een derde-beslagene, ondanks de blokkering van haar rekening, op enig moment de beschikking over een geldbedrag heeft verkregen, hangt af van wat tussen de derde-beslagene en de bank gold in verband met de blokkering en de boeking van het geldbedrag op de “verschillenrekening”. Dat creditering van het geldbedrag op de rekening van de derde-beslagene is uitgebleven staat niet eraan in de weg dat deze de macht over de gelden kon uitoefenen: onder omstandigheden kan ook de macht over gelden worden uitgeoefend zonder dat de gelden op de bankrekening van de rekeninghouder zijn bijgeschreven.

Achtergrond

Agri en veiling De Kerseboom (hierna: de Veiling) hebben een rechtsverhouding op basis waarvan de Veiling op commissiebasis tuinbouwproducten van Agri verkoopt en de opbrengst ervan aan Agri betaalt. De Veiling heeft een bedrag van ƒ 2.136.000 in drie delen (waarvan het laatste op 4 juli 1996) van haar bankrekening bij de Rabobank Mierlo (de Bank) overgemaakt naar een bankrekening van Agri in Polen. Agri heeft echter om haar moverende redenen haar bank opdracht te geven dit bedrag terug te storten op de bankrekening van de Veiling. Omdat de Ontvanger inmiddels (11 juli 1996) ten laste van Agri executoriaal derdenbeslag onder de Veiling had gelegd, had de Veiling echter haar rekening door de Bank laten blokkeren. Als gevolg daarvan is het bedrag niet bijgeschreven op de rekening van de Veiling, maar op een ‘verschillenrekening’ op naam van de Bank. De Bank heeft op 12 juli 1996 contact opgenomen met de Veiling over de bestemming van dit bedrag. De Veiling heeft de Bank laten weten dat dit bedrag niet voor haar bestemd was. Op 17 juli 1996, om 11.00 uur, heeft de Ontvanger opnieuw executoriaal derdenbeslag onder de Veiling gelegd. Op diezelfde dag, om 11.30 uur, heeft de Bank een interne opdracht gegeven tot overboeking van het geld naar de bankrekening van Agri bij Rabobank Nuenen. De Veiling heeft op 8 augustus 1996 een verklaring ex art. 476a Rv afgelegd, waarin zij aangaf welk bedrag zij aan Agri verschuldigd was. Het daarin genoemde bedrag omvatte niet het bedrag van ƒ 2.136.000. De centrale vraag in deze zaak is of dit bedrag door het beslag van de Ontvanger is getroffen.

De eerste cassatieprocedure

In de eerste cassatieprocedure in deze zaak (zie HR 26 januari 2007, LJN AZ0614) vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof. Het hof had daarin geoordeeld dat de Veiling ten tijde van het beslag geen schuld van ƒ 2.136.000 jegens Agri had. Bij dit oordeel nam het hof tot uitgangspunt dat de Bank, toen zij het bedrag op de verschillenrekening boekte, dit bedrag aanvankelijk is gaan houden voor de Veiling. De mededeling van de Veiling dat het bedrag niet voor haar bestemd was, had echter, aldus het hof (onder verwijzing naar art. 3:111 BW over interversie van houderschap), tot gevolg dat de Bank het bedrag niet langer voor de Veiling hield, maar voor de afzender, Agri. Op dat moment raakte het bedrag uit het vermogen van de Veiling en dus werd het bedrag niet door de beslagleggingen getroffen, aldus het hof. De Ontvanger betoogde in de eerste cassatieprocedure met succes dat in zaken met betrekking tot het girale betalingsverkeer geen ruimte is voor een goederenrechtelijke benadering en dat in elk geval de regels omtrent houderschap en bezit (art. 3:111 en art. 3:115 BW) niet relevant zijn.

De verwijzingsprocedure

In de verwijzingsprocedure moest daarom alsnog worden onderzocht of Agri ten tijde van de beslagleggingen een vordering op de Veiling had. Daarbij komt het aan op de vraag of ten tijde van de beslaglegging reeds kon worden gesproken van een (voltooide) girale betaling van Agri aan de Veiling.

Het verwijzingshof wijst eerst een tussenarrest. Daarin overweegt het dat de blokkering door de Veiling van de op haar naam staande rekening bij de Rabobank te Mierlo en de daarop gevolgde boeking door die bank van het bedrag van ƒ 2.136.000 op de ‘verschillenrekening’ niet noodzakelijk tot gevolg hebben gehad dat het bedrag van ƒ 2.136.000 afkomstig van de Poolse bankrekening van Agri, niet aan de Veiling is betaald. Het voegt hieraan toe:

“Of het tot betaling aan de Veiling is gekomen hangt af van hetgeen in verband met die blokkering en boeking op de “verschillenrekening” in de contractuele verhouding tussen de Veiling en de Rabobank te Mierlo gold. Indien (en op het moment waarop) het in die verhouding van de toestemming van de Veiling afhankelijk was of het bedrag op haar bankrekening zou worden bijgeschreven dan wel op de “verschillenrekening” zou blijven staan in afwachting van een nadere instructie dan wel zou worden overgemaakt naar een derde, dient de betaling door Agri aan de Veiling als verricht te worden beschouwd.”

Vervolgens stelt het Hof hiernaar een onderzoek in. Het acht voorshands bewezen: (a) dat de Veiling (in haar contractuele relatie met de Rabobank Mierlo) vanaf het moment waarop het bedrag van ƒ 2.136.000 door de Rabobank Mierlo was ontvangen althans op de “verschillenrekening” was geboekt, tot aan het moment waarop het tweede beslag werd gelegd, jegens die bank zeggenschap had over de bestemming van dat bedrag en tevens (b) dat ten tijde van het eerste beslag een overeenkomst tussen Agri en de Veiling bestond, op grond waarvan de Veiling verplicht was een door haar van Agri te ontvangen bedrag van ƒ 2.136.000 na ontvangst (terug) te betalen aan Agri.

Volgens het Hof brengt het onder (a) genoemde, voorshands bewezen geachte feit mee dat het tweede beslag (op 17 juli 1996) doel heeft getroffen. Het onder (b) genoemde, voorshands bewezen geachte feit brengt mee dat het eerste beslag (op 11 juli 1996) doel heeft getroffen, omdat ten tijde van die beslaglegging een rechtsverhouding bestond tussen de Veiling en Agri waaruit de vordering tot (terug)betaling van Agri rechtstreeks werd verkregen. Op beide punten laat het Hof de Veiling toe tot het leveren van tegenbewijs. Na verhoor van getuigen, beslist het Hof in zijn eindarrest dat de Veiling, wat betreft het hiervoor onder (a) genoemde feit niet erin is geslaagd voldoende tegenbewijs te leveren en dat in ieder geval het tweede beslag onder de Veiling het beoogde doel heeft getroffen.

De tweede cassatieprocedure

Hierin komt de Veiling op tegen het oordeel van het hof dat zij kon beschikken over het bedrag van ƒ 2.136.000 op de  ‘verschillenrekening’ van de Rabobank Mierlo. Deze klachten kunnen volgens de Hoge Raad niet tot cassatie leiden.

De Hoge Raad overweegt dat het Hof met juistheid tot uitgangspunt heeft genomen dat de beantwoording van de vraag of de Veiling, ondanks de blokkering, op enig moment de beschikking over het bedrag heeft verkregen, afhangt van hetgeen in verband met de blokkering en de boeking op de ‘verschillenrekening’ tussen de Veiling en de Bank gold. Het Hof heeft uit de het tussenarrest vermelde feiten en omstandigheden, waaronder het contact dat de Bank na ontvangst van het bedrag met de Veiling heeft opgenomen, afgeleid dat de Veiling aan de Bank heeft opgedragen wat er met het ontvangen bedrag diende te gebeuren en dat dit erop duidt dat de Veiling zeggenschap over de bestemming en daarmee beschikking over het bedrag had.

In dat verband is van belang dat de blokkering van een rekening (die niet in de wet is geregeld) niet altijd inhoudt dat een bankrekening volledig is afgeschermd voor inkomende betalingen en dat aan die toestand slechts een einde kan komen door de blokkering te beëindigen. In de contractuele verhouding tussen de rekeninghouder en zijn bank kan een blokkering ook  inhouden dat de bank telkens aan de rekeninghouder toestemming moet vragen alvorens een voor de geblokkeerde rekening bestemd bedrag op die rekening te kunnen bijschrijven of aan dat bedrag een andere bestemming te geven. In zo’n geval kan de rechter tot de conclusie komen dat (in de contractuele verhouding tussen de rekeninghouder en de bank) de rekeninghouder degene is die de beschikking heeft over het desbetreffende bedrag; in de zin van: de beschikkingsmacht of zeggenschap. Wanneer niet de bank maar de rekeninghouder degene is die beslist of het litigieuze bedrag wordt bijgeschreven op zijn rekening dan wel een andere bestemming krijgt, kan de rechter de betaling beschouwen als verricht aan de rekeninghouder (vergelijk hierover de conclusie van A-G Langemeijer, onder 2.4).

De Hoge Raad maakt vervolgens, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. Boek 6, p. 463), duidelijk dat het uitblijven van creditering niet verhindert dat de Veiling over het bedrag kon beschikken. Het gaat er om of de Veiling de macht over de gelden kan uitoefenen, wat onder omstandigheden ook mogelijk is zonder dat de gelden op de bankrekening van de rekeninghouder zijn bijgeschreven.

Het weigeren van creditering door de Veiling laat volgens de Hoge Raad onverlet dat de Veiling over dat bedrag heeft beschikt door daaraan een andere bestemming te geven (het hof heeft geoordeeld dat de Veiling de zeggenschap had over de bestemming van het bedrag, in die zin dat het bedrag in opdracht van de Veiling door de Bank op de “verschillenrekening” is geplaatst en na de tweede beslaglegging is overgeboekt naar de rekening van Agri in Nederland). Met deze uitleg van hetgeen in de contractuele verhouding tussen de Veiling en de Bank gold, heeft het hof  – zo oordeelt de Hoge Raad – geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Share This