HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1380

Het hof is van een onjuiste rechtsopvatting van art. 166 lid 1 Rv uitgegaan door het bewijsaanbod van de man te passeren, op de grond dat de man niet heeft vermeld wat hij en zijn zuster anders of meer zouden kunnen verklaren dan hetgeen is vermeld in de door de man overgelegde brief van zijn zus over de tussen hen overeengekomen geldlening.

Casus

Partijen zijn ex-echtgenoten en zijn verwikkeld in een procedure ter verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. In cassatie spitst het geschil zich toe op (1) het passeren van een bewijsaanbod ten aanzien van een voor het huwelijk door de man aangegane lening ter financiering van de (latere echtelijke) woning en (2) de vraag of een schuld van de man geldt als verknocht (art. 1:94 lid 3 BW) en dus niet verrekend dient te worden in het kader van de verdeling. De tweede cassatieklacht, ten aanzien van de verknochtheid, is met toepassing van art. 81 RO verworpen en blijft hierna dus buiten beschouwing.

Passeren bewijsaanbod

De man heeft gesteld dat hij voorafgaand aan het huwelijk geld van zijn zus heeft geleend en dat dit geld is aangewend om de latere echtelijke woning mee te financieren. Deze schuld behoort daarom volgens de man in de verdeling te worden betrokken. Ten bewijze van de geldlening heeft de man een handgeschreven brief van zijn zus, gedateerd op 20 februari 2008, overgelegd. Bij akte heeft de man verder een tweede brief (waarvan de precieze datering onduidelijk is) overgelegd, waarin de zus onverkort nakoming verlangt. De man heeft aangeboden zichzelf en zijn zus als getuige te laten horen.

Het hof heeft de stelling van de man verworpen. Het hof heeft overwogen dat de man op basis van de (eerste) brief van de zus niet heeft aangetoond dat de schuld aan de zuster op de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap nog bestond en dus tot de ontbonden gemeenschap behoorde. Het hof acht daarbij van belang dat, indien sprake was van een reële schuld, deze in zijn fiscale aangifte opgenomen had moeten worden. De man heeft alle gelegenheid gehad om schriftelijk bewijs (zoals de aangiften inkomstenbelasting) over te leggen, maar heeft dit niet gedaan. Dit komt voor zijn risico. Het hof heeft vervolgens het bewijsaanbod van de man gepasseerd, met de overweging dat de man niet heeft aangegeven wat zijn zus en hijzelf anders of meer zouden kunnen verklaren dan hetgeen in de betreffende brief van de zus aan de man is vermeld.

De Hoge Raad vernietigt dit oordeel van het hof met een korte overweging:

“3.2 (…) Het bewijsaanbod van de man was ter zake dienend. Anders dan het hof heeft overwogen, behoefde de man niet te vermelden wat hij en zijn zuster anders of meer kunnen verklaren dan hetgeen is vermeld in de door het hof bedoelde brief. Door op deze grond het bewijsaanbod te passeren, is het hof in het licht van art. 166 lid 1 Rv derhalve van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan.”

Wellicht dacht het hof zich bij het passeren van het bewijsaanbod gesteund in eerdere rechtspraak van de Hoge Raad. In HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, m.nt. W.D.H. Asser en HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9991, oordeelde de Hoge Raad dat de eis dat een bewijsaanbod voldoende specifiek is, kan meebrengen dat indien reeds schriftelijke verklaringen van de getuigen zijn overgelegd, nader wordt aangegeven in hoeverre getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. De Hoge Raad verwijst in het geheel niet naar deze rechtspraak, naar ik vermoed omdat het hier om een wezenlijk andere situatie gaat. De brief van de zus aan de man betreft namelijk geen schriftelijke getuigenverklaring die met het oog op deze procedure is opgesteld, maar een verklaring waarin de tussen de man en zijn zus overeengekomen lening is vastgelegd.

Opvallend is dat A-G Van Peursem tot verwerping van deze cassatieklacht kwam (conclusie, onderdeel 2.8). Hij begreep de bestreden overwegingen van het hof zo, dat de man niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. In dat geval wordt aan bewijslevering niet toegekomen en dus kon het hof het bewijsaanbod passeren. Van Peursem merkt wel op (onderdeel 2.11) dat het weliswaar een stevige eis is die het hof hier aan de stelplicht van de man stelt, maar dat daarbij zal hebben meegespeeld dat in verdelingszaken de nodige rechterlijke oplettendheid past bij gestelde leningen in familiale sfeer.

De Hoge Raad volgt de benadering van Van Peursem niet, maar volgt de man in zijn klacht dat het bewijsaanbod ten onrechte is gepasseerd. Dit impliceert dat de man naar het oordeel van de Hoge Raad genoegzaam aan zijn stelplicht heeft voldaan.

Share This