Selecteer een pagina

HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:484

Deze zaak draait om hypotheekrechten van Rabobank op een perceel die als gevolg van ruilverkaveling van rechtswege zijn overgegaan op een vervangend perceel. Hoewel voornoemde overgang van de hypotheekrechten niet was opgenomen in de openbare registers komt aan de hypotheekhouder die (na de ruilverkaveling) een hypotheekrecht op het vervangend perceel heeft gevestigd geen bescherming ex art. 3:24 lid 1 BW toe. Er is in dit geval sprake van zaaksvervanging en dat kwalificeert niet als een “voor inschrijving in de registers vatbaar feit” als bedoeld in art. 3:24 lid 1 BW.

Achtergrond van de zaak

Het gaat in deze zaak om ruilverkaveling van een aantal percelen. In de akte van ruilverkaveling is (abusievelijk) geen melding gemaakt van drie door Rabobank op een van de percelen gevestigde hypotheekrechten. In de openbare registers is niet aangetekend dat de hypotheekrechten van Rabobank na ruilverkaveling op het vervangende perceel komen te rusten. Na de ruilverkaveling heeft verweerder in deze zaak een hypotheekrecht op het (vervangende) perceel gevestigd. Tussen Rabobank en verweerder is een geschil ontstaan over de vraag wie als hypotheekhouder in rang voorgaat.

Procedureel verloop

Rabobank vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat haar hypotheekrechten na de ruilverkaveling van rechtswege op het vervangende perceel zijn komen te rusten. Volgens Rabobank gaan die hypotheekrechten voor op het hypotheekrecht dat door verweerder na de ruilverkaveling op het vervangende perceel is gevestigd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij op grond van art. 3:24 lid 1 BW bescherming geniet, omdat de overgang van de hypotheekrechten niet in de openbare registers stond vermeld en hij ook niet van de overgang op de hoogte was.

Anders dan de Rechtbank wees het Hof de vordering van Rabobank af. Het hof overwoog dat uit de voormalige Landinrichtingswet weliswaar volgde dat de hypotheekrechten van rechtswege zijn overgaan op het vervangende perceel, maar dat art. 3:24 lid 1 BW bescherming aan verweerder biedt. Art. 3:24 lid 1 BW luidt als volgt:

“Indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling tot verkrijging van een recht op een registergoed onder bijzondere titel in de registers wordt ingeschreven, een eveneens voor inschrijving in de registers vatbaar feit niet met betrekking tot dat registergoed ingeschreven was, kan dit feit aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij hij het kende.”

Volgens het Hof wordt verweerder op grond van voornoemde bepaling als verkrijger van een hypotheekrecht op het vervangende perceel beschermd.

Cassatie

Tegen dat oordeel heeft Rabobank cassatieberoep ingesteld. In cassatie klaagt Rabobank (onder meer) dat de overgang van de hypotheekrechten naar het vervangende perceel niet kwalificeren als voor “inschrijving in de registers vatbaar feit” in de zin van art. 3:24 lid 1 BW. Volgens Rabobank is art. 3:24 lid 1 BW dan ook niet van toepassing.

Bij de beoordeling van voornoemde klacht heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat de vraag of er sprake is van een “inschrijving in de registers vatbaar feit” moet worden beantwoord aan de hand van art. 3:17 BW. In art. 3:17 lid 1, onder a, BW worden als inschrijfbare feiten genoemd: rechtshandelingen die een verandering in de rechtstoestand van registergoederen brengen of in enig ander opzicht voor die rechtstoestand van belang zijn.

In dit geval is echter (blijkens art. 160 lid 3 Landinvorderingswet (oud)) sprake van zaaksvervanging. Die zaaksvervanging is geen gevolg van een daarop gerichte rechtshandeling. Daarom is het feit dat de hypotheekrechten van Rabobank na de ruilverkaveling op het vervangende perceel zijn komen te rusten niet een “inschrijfbaar feit” als bedoeld in art. 3:17 lid 1, onder a BW en art. 3:24 lid 1 BW, aldus de Hoge Raad. Zaaksvervanging valt evenmin onder een van de andere categorieën inschrijfbare feiten die zijn opgesomd in art. 3:17 BW. De Hoge Raad concludeert dan ook dat verweerder geen bescherming aan art. 3:24 lid 1 BW kan ontlenen. De klacht van Rabobank is dus gegrond.

Verweerder had nog een incidentele klacht ingesteld, die inhield dat het Hof had miskend dat Rabobank geen hypotheekrecht heeft verkregen op het vervangende perceel, omdat een aantekening als bedoeld in art. 208 lid 3 Landinvorderingswet (oud) ontbrak. De Hoge Raad gaat daar niet in mee. De zaaksvervanging is van rechtswege ingetreden. Een eventuele aantekening was dan ook niet vereist voor de overgang van de hypotheekrechten.

Tegen deze achtergrond komt de Hoge Raad tot vernietiging van het arrest en verwijzing van het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

Share This