HR 14 september 2018 ECLI:NL:HR:2018:1673

De eis dat de werknemer bij een loonvordering een deskundigenverklaring moet overleggen (art. 7:629a BW) geldt niet in kort geding. Het is aan de kortgedingrechter overgelaten om te bepalen of een deskundigenverklaring in een concreet geval wenselijk is.  

Achtergrond

Op 23 januari 2015 is verweerder tot cassatie (hierna: de werknemer) tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden voor eiseres tot cassatie (hierna: de werkgever) – bij wie hij krachtens arbeidsovereenkomst in dienst is – op het terrein van een zusterbedrijf een bedrijfsongeval overkomen. De aansprakelijkheidsverzekering van het zusterbedrijf heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend en heeft de schade afgewikkeld. Na het arbeidsongeval is de werknemer niet meer op werk verschenen, waarna de werkgever op 18 januari 2016 is overgegaan tot een loonstop.

De werknemer heeft in kort geding doorbetaling van het loon gevorderd op grond van art. 7:629 BW. Voor zover in cassatie van belang heeft de kantonrechter de vordering toegewezen. De werkgever heeft hoger beroep ingesteld, waarbij zij onder meer heeft aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat werknemer ontvankelijk is in zijn vordering, nu hij daarbij niet een deskundigenverklaring heeft gevoegd, zoals art. 7:629a lid 1 BW voorschrijft. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en heeft daartoe overwogen dat het vereiste van een deskundigenverklaring niet geldt in kort geding. In cassatie komt de werkgever op tegen dit oordeel van het hof.

Het vereiste van een deskundigenverklaring geldt niet in kort geding

Art. 7:629a lid 1 BW bepaalt dat de rechter een vordering tot betaling van loon als bedoeld in art. 7:629 BW afwijst, indien bij die eis niet een deskundigenverklaring is gevoegd. Dit wordt ook wel aangeduid als ‘second opinion’. Hoewel de wet de term “afwijst” bezigt, gaat het hier om een niet-ontvankelijkheid.

De bepaling is aanvankelijk ingevoerd als art. 1638ca BW (oud) bij de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) en strekt ertoe partijen in staat te stellen zonder tussenkomst van de rechter hun geschil op te lossen en een efficiënte rechtsgang te bevorderen als het geschil wel bij de rechter komt. In de memorie van toelichting bij de Wulbz is het volgende opgemerkt (p. 64-65):

“(…) De verplichte inschakeling van een deskundige geldt slechts voor bodemprocedures. De werknemer die bij wijze van voorlopige voorziening loondoorbetaling verlangt – van de president in kort geding of van de kantonrechter op de voet van artikel 116 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – kan die vragen zonder de verklaring over te leggen. In werkelijk spoedeisende zaken moet de rechter niet genoodzaakt zijn te wachten totdat de second opinion is afgerond. (…) De rechter die over een spoedvoorziening oordeelt, is niet verplicht de werknemer eerst naar de second opinion te verwijzen, maar het is hem evenmin verboden.”

Met inachtneming van deze passage uit de memorie van toelichting overweegt de Hoge Raad dat de in (thans) art. 7:629a lid 1 BW opgenomen eis van het overleggen van een deskundigenverklaring niet geldt in kort geding. Daarbij doet niet ter zake of sprake is van werkelijk spoedeisende zaken. De rechter kan onder omstandigheden afwijken van deze hoofdregel, maar daartoe bestaat geen verplichting. In verband met de aard van het kort geding als spoedprocedure, het doel van efficiënte geschilbeslechting en de omstandigheid dat het voorschrift niet in het belang van de werkgever is gegeven, moet worden aangenomen dat het in een kort geding steeds aan de rechter is overgelaten om te bepalen of het overleggen door de werknemer van een deskundigenbericht als bedoeld in art. 7:629a lid 1 BW wenselijk is. De kortgedingrechter kan op grond van art. 22 Rv bevelen die deskundigenverklaring te doen opstellen en over te leggen, dan wel op de voet van art. 194 Rv zelf een deskundigenbericht gelasten.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep, nadat A-G De Bock eerder al tot verwerping had geconcludeerd.

De werknemer is in cassatie bijgestaan door Karlijn Teuben.

Share This