HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:939

Op de erfgenaam die de verdeling vordert van een beneficiair aanvaarde nalatenschap, rust in beginsel de plicht om feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan volgen dat de schulden van de nalatenschap zijn voldaan. Is de vereffening niet voltooid of is over de voltooiing onvoldoende uitsluitsel verkregen, dan dient de rechter in overleg met partijen te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om desondanks te beslissen op een wijze die ook voldoende rekening houdt met de belangen van schuldeisers. In dat verband kan worden gedacht aan het aanhouden van de zaak, aan een verdeling onder voorwaarden of aan een gedeeltelijke verdeling.

In de hier te bespreken zaak hebben drie kinderen, enig erfgenamen van hun moeder, over en weer vorderingen ingesteld met betrekking tot de verdeling van de nalatenschap van hun moeder. Anders dan de rechtbank, verklaarde het hof hen niet-ontvankelijk in hun vorderingen. Het hof achtte daartoe redengevend dat twee van de drie erfgenamen de nalatenschap beneficiair hadden aanvaard en de vereffening niet was voltooid. Het hof overwoog (ambtshalve) dat op grond van art. 4:222 BW gedurende de vereffening van Titel 7 van Boek 3 (Gemeenschap) slechts de artikelen 3:166, 3:167, 3:170 lid 1 en 3:194 lid 2 BW van toepassing zijn. Gelet daarop was het naar het oordeel van het hof gedurende de vereffening dan ook niet mogelijk dat een deelgenoot op grond van art. 3:185 BW vordert dat de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt. Zolang de vereffening nog niet is voltooid, dient de rechter partijen volgens het hof ambtshalve niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen voor zover die strekken tot verdeling en de bij die verdeling nodige toerekening van schulden op het aandeel van de deelgenoot-schuldenaar. Het hof heeft geen aanleiding gezien de zaak in afwachting van de voltooiing van de vereffening aan te houden of op de vorderingen te beslissen onder opschortende voorwaarde van voltooiing van de vereffening.

In cassatie komt een van de erfgenamen met succes op tegen deze beslissing van het hof. De Hoge Raad stelt voorop dat op grond van het bepaalde in art. 4:202 lid 1, aanhef en onder a BW geldt dat in het geval een nalatenschap door een of meer erfgenamen beneficiair is aanvaard, de nalatenschap moet worden vereffend volgens de voorschriften van afdeling 4.6.3 BW, tenzij er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is die kan aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen. Op grond van art. 4:195 lid 1 BW zijn alle erfgenamen vereffenaar als een nalatenschap door een of meer erfgenamen beneficiair is aanvaard, en rust op alle erfgenamen van die nalatenschap ook de verplichting tot vereffening.

Onder verwijzing naar HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3643 overweegt de Hoge Raad vervolgens dat de vereffenaar tot taak heeft de schulden van de nalatenschap te voldoen. De Raad licht toe dat de verplichting tot vereffening van de nalatenschap in geval van beneficiaire aanvaarding door een of meer erfgenamen blijkens de parlementaire geschiedenis (MvA I, Parl. Gesch. Boek 4, p. 945) strekt tot bescherming van de schuldeisers van de nalatenschap. Daarbij is van belang dat schuldeisers van de nalatenschap hun vorderingen in geval van beneficiaire aanvaarding gelet op het bepaalde in art. 4:184 lid 1 BW in beginsel slechts op de goederen van de nalatenschap kunnen verhalen. Dit is alleen anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden waarin verhaal op het vermogen van een erfgenaam toch mogelijk is, bijvoorbeeld wanneer een erfgenaam de voldoening van een schuld verwijtbaar verhindert (art. 4:184 lid 2, aanhef en onder b BW) of wanneer een erfgenaam opzettelijk goederen aan het verhaal van schuldeisers van de nalatenschap onttrekt (art. 4:184 lid 2, aanhef en onder c).

Vervolgens gaat de Hoge Raad in op de vraag wanneer nu tot verdeling van de nalatenschap kan worden overgegaan. Uitgangspunt is dat de erfgenamen de vereffening van een beneficiair aanvaarde nalatenschap behoren te voltooien voordat wordt overgegaan tot verdeling van de nalatenschap (MvA II, Parl. Gesch. Boek 4, p. 979). Op die manier wordt gewaarborgd dat de vorderingen van de schuldeisers van de nalatenschap zoveel mogelijk daadwerkelijk uit de nalatenschap worden voldaan. De Hoge Raad overweegt dat in het licht daarvan op de erfgenaam van een beneficiair aanvaarde nalatenschap in beginsel de plicht rust om feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan volgen dat de schulden van de nalatenschap zijn voldaan. Een partij die niet voldoet aan die stelplicht, kan door de rechter worden bevolen haar stellingen zodanig toe te lichten dat de rechter in het verdelingsgeschil kan beoordelen of de vereffening is voltooid (art. 22 Rv). De Hoge Raad overweegt vervolgens:

“Is de vereffening naar het oordeel van de rechter niet voltooid of is over de voltooiing onvoldoende uitsluitsel verkregen, dan dient de rechter in overleg met partijen te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om desondanks op de grondslag van de vordering en het verweer te beslissen op een wijze die ook voldoende rekening houdt met de belangen van schuldeisers van de nalatenschap. Daarbij kan worden gedacht aan het aanhouden van de zaak totdat alsnog vereffening heeft plaatsgevonden, aan een verdeling onder voorwaarden die de positie van schuldeisers waarborgt, of aan een gedeeltelijke verdeling die de rechten van schuldeisers van de nalatenschap onverlet laat. Voor zover deelgenoten in de nalatenschap schuldeisers van de nalatenschap zijn, bestaat eventueel de mogelijkheid dat hun aanspraken worden betrokken in de verdeling.”

Aangezien het hof na de constatering dat de vereffening van de beneficiair aanvaarde nalatenschap nog niet was voltooid, ambtshalve over ging tot niet-ontvankelijkverklaring, had het hof dit miskend. De Hoge Raad vernietigt dan ook en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

De beslissing van de Hoge Raad was overigens geheel in lijn met de lezenswaardige conclusie van A-G mr. De Bock, die een en ander als volgt samenvatte:

“Bij beneficiaire aanvaarding bestaat een wettelijke verplichting tot vereffening, zij het dat doorgaans volstaan kan worden met een lichte vorm van vereffening. De erfgenamen kunnen zelf optreden als vereffenaar. De verplichting tot vereffening bestaat niet (onder meer) als de executeur een ‘ruimschoots toereikend verklaring’ afgeeft. In beginsel geldt dat als er een verplichting tot vereffening van de nalatenschap bestaat, de vereffening moet zijn voltooid voordat aan verdeling kan worden toegekomen. Dit volgt uit het systeem van de wet en heeft tot doel de schuldeisers van de nalatenschap te beschermen. Aannemelijk is echter dat als de nalatenschap een voldoende saldo heeft, zodat niet gevreesd hoeft te worden voor benadeling van schuldeisers, ook reeds tijdens de vereffening partieel kan worden verdeeld. Als de erfgenamen optreden als vereffenaar is daarvoor rechterlijke toestemming nodig, om te voorkomen dat sprake is van een tegenstrijdig belang. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat de nalatenschap verdeeld wordt onder de opschortende voorwaarde van vereffening.”

Share This