Selecteer een pagina

HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645

De Hoge Raad heeft de arresten van het Hof Den Haag in de zaak tussen Yukos en de Russische Federatie vernietigd. Het hof had miskend dat stellingen over gepleegd bedrog in de arbitrage niet alleen naar voren kunnen worden gebracht in een herroepingsprocedure, maar ook in een vernietigingsprocedure zoals de onderhavige.

Achtergrond conflict tussen Yukos en de Russische Federatie

In een eerder cassatieblog, dat zag op een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen in deze zaak, schetsten wij de achtergrond van het conflict tussen Yukos, haar voormalige aandeelhouders en de Russische Federatie. Dit cassatieblog lees je hier.

Kort samengevat, eist de Russische Federatie in deze procedure dat de Nederlandse overheidsrechter enkele arbitrale vonnissen vernietigt, waarin de Russische Federatie is veroordeeld tot betaling van USD 50 miljard aan schadevergoeding aan voormalige aandeelhouders van Yukos.

De rechtbank gaf de Russische Federatie gelijk (ECLI:NL:RBDHA:2016:4229). Het hof oordeelde anders (ECLI:NL:GHDHA:2018:2476 en ECLI:NL:GHDHA:2020:234). Volgens het hof waren de arbitrale vonnissen geldig en moest de Russische Federatie de schadevergoeding betalen.

Tegen de beslissing van het hof stelde de Russische Federatie cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Eerder verwierp de Hoge Raad al het verzoek van de Russische Federatie om de tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen – die na de uitspraak van het hof weer zijn herleefd – op de voet van artikel 1066 Rv (oud) te schorsen totdat definitief is beslist over de geldigheid daarvan (zie CB 2020-148).

Beslissing van de Hoge Raad: vernietiging van de arresten van het hof

De Hoge Raad vernietigt in zijn meest recente uitspraak over deze zaak de arresten van het hof, waarin het hof had geoordeeld dat de arbitrale vonnissen (die ongunstig zijn voor de Russische Federatie) geldig zijn. Bij de bespreking van deze uitspraak van de Hoge Raad wordt hieronder verwezen naar de Arbitragewet in het Vierde Boek van Burgerlijke Rechtsvordering zoals de wet gold tot 1 januari 2015. Het geldende recht luidt echter materieel hetzelfde op de hieronder besproken punten. Wij verwijzen naar cassatieblog CB 2020-148 over deze zaak voor het algemene juridische kader voor de vernietiging van arbitrale vonnissen door de overheidsrechter.

Samenloop tussen herroeping en vernietiging van een arbitraal vonnis

De Hoge Raad gaat eerst in op de vraag van samenloop tussen de mogelijkheid tot vernietiging en herroeping van een arbitraal vonnis op basis van bedrog. Dit onderdeel van het arrest is voor het Nederlandse recht het meest relevant. Het hof had geoordeeld dat de Russische Federatie bepaalde stellingen over bedrog in de arbitrage alleen maar in een herroepingsprocedure naar voren had kunnen brengen en niet in een vernietigingsprocedure over de vraag of een arbitraal vonnis in strijd is met de openbare orde.

De Hoge Raad acht de daartegen gerichte klacht van de Russische Federatie gegrond en overweegt daartoe, verkort weergegeven, het volgende (rov. 5.1.3-5.1.19).

Vernietiging kan slechts plaatsvinden op de gronden genoemd in art. 1065 lid 1, onder a tot en met e, (oud) Rv. Eén van die gronden is dat het vonnis, of de wijze waarop dit tot stand kwam, in strijd is met de openbare orde. Herroeping kan ingevolge art. 1068 lid 1 (oud) Rv slechts plaatsvinden op de gronden (a) dat het vonnis geheel of ten dele berust op na de uitspraak ontdekt bedrog, door of met medeweten van de wederpartij in de arbitrale procedure gepleegd, (b) dat het vonnis geheel of ten dele berust op stukken die na de uitspraak vals blijken te zijn, of (c) dat een partij na de uitspraak stukken die op de beslissing van het scheidsgerecht van invloed zouden zijn geweest en door toedoen van de wederpartij zijn achtergehouden, in handen heeft gekregen. Het slagen van een herroepingsgrond leidt eveneens tot vernietiging van het arbitrale vonnis (art. 1068 lid 3 (oud) Rv).

Bedrog kan ertoe leiden dat een arbitraal vonnis – naast dat dit een herroepingsgrond oplevert – ook in strijd is met de openbare orde en daarom blootstaat aan vernietiging.  Volgens de Hoge Raad is er geen sprake van dat de wetgever heeft beoogd dat, indien de stelling dat het arbitrale vonnis tot stand is gekomen onder invloed van bedrog zowel ten grondslag kan worden gelegd aan een tijdig ingestelde vordering tot vernietiging als een herroepingsgrond oplevert, een partij deze stelling uitsluitend in een herroepingsprocedure aan haar vordering ten grondslag kan leggen.

De Hoge Raad voegt daaraan toe dat, in uitzondering op art. 1068 lid 2, eerste volzin, (oud) Rv, een beroep op bedrog in een vernietigingsprocedure later dan drie maanden na bekendwording van het bedrog mag worden gedaan. De wederpartij moet er dan namelijk toch al rekening mee houden dat het arbitrale vonnis blootstaat aan vernietiging en de rechtszekerheid is dan niet in het geding.

Stond het nationale Russische recht in de weg aan de arbitrage?

Vervolgens behandelt de Hoge Raad de klacht van de Russische Federatie dat, kort gezegd, het arbitrale scheidsgerecht niet bevoegd was om te oordelen over deze zaak. Volgens de Russische Federatie was het aannemen van bevoegdheid door het scheidsgerecht in deze zaak – gegrond op een voorlopige toepassing van het Energy Charter Treaty (ECT) – in strijd met Russische nationale wet- en regelgeving. Daarnaast klaagde de Russische Federatie over de uitleg van enkele bepalingen uit het ECT.

De Hoge Raad verwerpt dit betoog. Volgens de Hoge Raad geldt dat de uitleg die de Russische Federatie geeft aan enkele bepalingen van het ECT, voor zover die uitleg inhoudt dat het nationale recht van een ondertekenende staat zélf moet voorzien in de verdragsregeling waarvan de voorlopige toepassing aan de orde is, niet in overeenstemming is met de bewoordingen daarvan, niet voortvloeit uit de context, niet strookt met voorwerp en doel van de ECT en evenmin steun vindt in de statenpraktijk (5.2.3-5.2.21). De Hoge Raad is het evenmin eens met het betoog van de Russische Federatie dat geen sprake was van een geschil dat viel onder het bereik van de arbitrageclausule in het ECT (rov. 5.3.3-5.3.16). De Hoge Raad ziet dan ook geen aanleiding om daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Relevantie van illegaal handelen van een van de aandeelhouders van Yukos

Hierna komt de Hoge Raad toe aan de klacht van de Russische Federatie dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met illegale handelingen van HVY – een van de betrokken aandeelhouders van Yukos – in de periode nadat HVY hun investering in Yukos hadden gedaan. Volgens de Russische Federatie biedt het ECT geen bescherming aan investeringen die onwettig zijn gedaan. Dat zou dan tot onbevoegdheid van het scheidsgerecht moeten leiden, althans de arbitrale vonnissen vernietigbaar maken wegens strijd met de openbare orde, aldus de Russische Federatie.

De Hoge Raad verwerpt de klacht. Het hof had geoordeeld dat de Russische Federatie onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden dat de gestelde illegale handelingen zijn verricht door derden en dat zij hebben plaatsgevonden voordat HVY aandeelhouder werden. Verder had het hof overwogen dat ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van de feitelijke stellingen van de Russische Federatie, onvoldoende verband bestaat tussen het gestelde illegale handelen en het doen van de investering door HVY waarover het in deze zaak gaat. Volgens de Hoge Raad is deze oordeelsvorming niet onjuist en evenmin gebrekkig gemotiveerd (rov. 5.4.2-5.4.13).

Vernietiging wegens schending van opdracht door het scheidsgerecht?

De Hoge Raad verwerpt eveneens het betoog van de Russische Federatie dat het scheidsgerecht zijn opdracht had geschonden door na te laten om een voor de arbitrage relevante vraag voor te leggen aan de belastingautoriteiten in Rusland. De bespreking van deze klacht door de Hoge Raad is tamelijk zaakspecifiek en kunnen worden nagelezen in rov. 5.5.3-5.5.9. Interessant is echter dat de Hoge Raad het juridisch kader schetst voor de beoordeling van een beroep op schending van opdracht (door de arbiters) als vernietigingsgrond (art. 1065 lid 1, aanhef en onder c, (oud) Rv). Die vernietigingsgrond komt minder vaak voorbij dan die van schending van de openbare orde of bevoegdheid. De Hoge Raad overweegt:

“5.5.4 Op grond van art. 1065 lid 1, aanhef en onder c, (oud) Rv kan vernietiging van een arbitraal vonnis plaatsvinden indien het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden. Bij de beoordeling van de vraag of het scheidsgerecht de grenzen van zijn opdracht heeft overschreden, moet mede worden betrokken of het geschil is beslecht in overeenstemming met de procedureregels die in het gegeven geval van toepassing zijn. De rechter moet bij zijn onderzoek of het scheidsgerecht de procedureregels heeft nageleefd, terughoudendheid betrachten. Dit hangt onder meer hiermee samen dat een procedure op de voet van art. 1065 (oud) Rv niet mag worden gebruikt als een verkapt hoger beroep, en dat het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging meebrengt dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. Is in een dergelijk geval sprake van strijd met de beginselen van een goede procesorde, dan zal het arbitrale vonnis blootstaan aan vernietiging op de voet van art. 1065 lid 1, aanhef en onder e, (oud) Rv (strijd met de openbare orde). Ook die bepaling moet naar haar aard met terughoudendheid worden toegepast. Daaruit vloeit onder meer voort dat indien de schending van de opdracht niet ernstig is, dit niet tot vernietiging van het arbitrale vonnis leidt. Bij de beantwoording van de vraag of de ernst van de schending van de opdracht vernietiging van het arbitrale vonnis rechtvaardigt, komt de rechter beoordelingsvrijheid toe.”

Tot slot verwerpt de Hoge Raad de overige cassatieklachten. Omdat het eerste onderdeel van de Russische Federatie, over de samenloop van vernietiging en herroeping van een arbitraal vonnis bij bedrog in de arbitrage, wél slaagt, vernietigt de Hoge Raad de arresten van het Hof Den Haag en verwijst de zaak naar het Hof Amsterdam.

Share This