HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1407

(1) De uitspraak in een tussentijds hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking (ingesteld op de voet van art. 1019cc lid 3 onder a Rv) is een tussenuitspraak, tenzij het hof zelf de procedure ten principale heeft afgedaan. Voor het instellen van tussentijds cassatieberoep tegen deze uitspraak is verlof van het hof vereist (art. 1019cc lid 3 Rv jo. art. 401a lid 2 Rv).
(2) De veroordeling die wordt uitgesproken in een deelgeschil heeft dezelfde betekenis als wanneer zij zou zijn opgenomen in een kortgedingvonnis (art. 1019cc lid 2 Rv). Deze veroordeling verliest daarom haar werking wanneer in de bodemprocedure een andere beslissing wordt gegeven over de desbetreffende vordering.

Achtergronden

De achtergrond van deze cassatieprocedure is een verkeersongeval tussen een bromfietser (eiser tot cassatie) en een bestuurder van een bestelwagen (een van de verweerders in cassatie). Nationale-Nederlanden (de andere verweerder in cassatie) is de aansprakelijkheidsverzekeraar van de bestuurder.

Eiser heeft op de voet van art. 1019w Rv in een deelgeschil een verklaring voor recht verzocht dat Nationale Nederlanden en de bestuurder (hierna tezamen: Nationale-Nederlanden c.s.) aansprakelijk zijn voor schade die eiser als gevolg van het verkeersongeval heeft geleden en nog zal lijden. Daarnaast heeft eiser de rechtbank verzocht de kosten van het deelgeschil te begroten op de voet van art. 1019aa lid 1 Rv in verbinding met art. 6:96 lid 2 BW en Nationale-Nederlanden c.s. tot betaling ervan te veroordelen. De rechtbank heeft het verzoek van eiser toegewezen en voor recht verklaard dat Nationale-Nederlanden c.s. aansprakelijk zijn voor de door eiser geleden schade en hen in de kosten van het deelgeschil veroordeeld.

In een daaropvolgende bodemprocedure hebben Nationale Nederlanden c.s. hunnerzijds een verklaring voor recht gevorderd dat zij niet aansprakelijk zijn voor de door eiser – als gevolg van het ongeval – geleden schade. Ook hebben zij verzocht om tussentijds hoger beroep in te mogen stellen tegen de deelgeschilbeschikking (art. 1019cc lid 3 onder a Rv). Dit verlof is verleend en in hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking heeft het hof de toewijzing van de verklaring voor recht bekrachtigd. Ten aanzien van de kostenveroordeling heeft het hof echter de deelgeschilbeschikking vernietigd en Nationale-Nederlanden c.s. tot een lager bedrag veroordeeld in de kosten van het deelgeschil. Volgens het hof was sprake van een aanzienlijke mate van eigen schuld van eiser en moet deze eigen schuld bij de kostenveroordeling in aanmerking worden genomen.

Systeem deelgeschilprocedure

De Hoge Raad geeft in zijn arrest eerst een algemene uiteenzetting over de wettelijke systematiek van de deelgeschilprocedure. De Hoge Raad overweegt dat art. 1019bb Rv bepaalt dat tegen een beschikking op een deelgeschilverzoek geen voorziening openstaat, behoudens het bepaalde in art. 1019cc lid 3 Rv. Het laatst genoemde artikel bepaalt namelijk dat in de bodemprocedure tegen een deelgeschilbeschikking hoger beroep kan worden ingesteld net als in het geval van een tussenvonnis. Het hoger beroep kan worden ingesteld als de bodemrechter daartoe verlof heeft verleend ofwel tegelijk met het hoger beroep tegen het eindvonnis in de bodemprocedure. In hoger beroep kan echter uitsluitend worden opgekomen tegen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissingen (eindbeslissingen) op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiele rechtsverhouding.

Ten aanzien van de kosten van de deelgeschilprocedure overweegt de Hoge Raad dat op grond van art. 1019aa Rv de proceskosten van de persoon die schade door dood of letsel lijdt, begroot moet worden op de voet van art. 6:96 lid 2 BW. De Hoge Raad haalt de memorie van toelichting aan en overweegt dat de deelgeschilprocedure zozeer is verbonden met een afwikkeling buiten rechte dat de daarvoor gemaakte kosten ook mogen worden beschouwd als kosten van buitengerechtelijke afwikkeling. Dit betekent dat de benadeelde deze kosten in beginsel volledig vergoed kan krijgen van de andere partij, als diens aansprakelijkheid komt vast te staan. Zowel het maken van die kosten als de omvang ervan moet echter wel redelijk zijn.

Indien het oordeel over de aanspraak op vergoeding van de kosten van de deelgeschilprocedure een discussiepunt vormt tussen partijen in de procedure ten principale, moet dit oordeel worden aangemerkt als een bindende eindbeslissing omtrent de materiële rechtsverhouding tussen partijen. Anders dan in art. 6:96 lid 3 BW jo. art. 241 Rv verschieten deze kosten in de procedure ten principale niet van kleur, aldus nog steeds de Hoge Raad. In een op grond van art. 1019cc lid 3 sub a Rv ingesteld hoger beroep kan tegen een dergelijk oordeel worden opgekomen. De daaropvolgende uitspraak in hoger beroep is een tussenuitspraak. Om cassatieberoep in te kunnen stellen tegen een dergelijk tussenuitspraak is verlof van het hof vereist. Dit is alleen anders indien het hof op grond van art. 355 Rv of art. 356 Rv zelf (een deel van) het gevorderde in bodemprocedure heeft afgedaan.

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

Nationale-Nederlanden c.s. hebben betoogd dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. Het hof had namelijk geen verlof verleend om tussentijds cassatieberoep in te stellen. Hiertegen heeft eiser aangevoerd dat het bestreden arrest geen tussenuitspraak is, maar een einduitspraak. Volgens eiser heeft het hof de zaak aan zich gehouden met toepassing van art. 356 Rv en daarbij in de bodemprocedure beslist, althans, het hof zou ten aanzien van de kostenveroordeling en de in dat kader beoordeelde mate van eigen schuld van eiser een eindbeslissing hebben genomen waartegen cassatieberoep openstaat.

De Hoge Raad beoordeelt vervolgens het betoog van eiser en overweegt hierover het volgende:

‘Dit betoog van [eiser] faalt. Van een einduitspraak is sprake als de rechter bij uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde heeft gemaakt aan het geding. Het hof heeft niet overwogen of tot uitdrukking gebracht dat het zijn beslissing geeft op enige in de procedure ten principale ingestelde vordering. De processtukken vermelden een dergelijke vordering ook niet. De door het hof in het dictum van zijn arrest uitgesproken vernietiging van de deelgeschilbeschikking van de rechtbank en de door hem eveneens in dat dictum uitgesproken nieuwe veroordeling in de kosten van het deelgeschil, kunnen dan ook niet worden geacht te zijn gegeven op enige vordering in de procedure ten principale. Het hof heeft derhalve ook niet met toepassing van art. 356 Rv de zaak aan zich gehouden. Zijn uitspraak kan op grond van het voorgaande niet als een einduitspraak in de procedure ten principale worden aangemerkt.‘

Nu het hof geen verlof heeft verleend om tussentijds cassatieberoep in te stellen, is eiser niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

Betekenis (kosten)veroordeling in deelgeschil in de bodemprocedure

Ten overvloede gaat de Hoge Raad tot slot nog in op de wijze waarop het hof in zijn arrest is omgegaan met de kostenveroordeling uit het deelgeschil. Het hof had de kostenveroordeling die in de deelgeschilbeschikking was uitgesproken vernietigd (wegens eigen schuld aan de zijde van eiser aan het ontstaan van het ongeval) en een nieuwe kostenveroordeling uitgesproken. Dat verdraagt zich volgens de Hoge Raad niet met de regeling van art. 1019bb en art. 1019cc Rv: op grond daarvan kan in de bodemprocedure alleen in (tussentijds) hoger beroep worden opgekomen tegen bindende eindbeslissingen uit de deelgeschiluitspraak, maar niet tegen veroordelingen die in een deelgeschilprocedure zijn uitgesproken. Dat laatste is ook niet nodig nu, aldus de Hoge Raad, aan een veroordeling in de bodemprocedure geen verdergaande betekenis zou toekomen dan aan een vonnis in kort geding: die veroordeling verliest haar werking indien in de bodemprocedure in het dictum een andere beslissing wordt gegeven over de desbetreffende vordering. Gelet hierop had het hof volgens de Hoge Raad de kostenveroordeling niet mogen vernietigen. Tot vernietiging van het arrest van het hof leidt dit echter niet, gegeven de niet-ontvankelijkheid van eiser in zijn cassatieberoep.

Nationale-Nederlanden c.s. is in cassatie bijgestaan door Karlijn Teuben.

Share This