Selecteer een pagina

HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0404

De Wet Bopz bedreigt overschrijding van de beslistermijn van drie weken in geval van  een verzoek om ontslag uit een psychiatrisch ziekenhuis niet uitdrukkelijk met nietigheid. Evenmin kan worden gezegd dat hier sprake is van schending van een zo essentieel procedurevoorschrift dat nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, als bedoeld in art. 79 RO.

De verzoeker tot cassatie was op grond van een machtiging tot voortgezet verblijf opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Een voorwaardelijk ontslag uit dit ziekenhuis werd na een week weer ingetrokken, waarna verzoeker wederom werd opgenomen. Nadat de rechtbank dit besluit tot intrekking had vernietigd, is een nieuw besluit met eenzelfde strekking genomen. Ook tegen dit besluit is verzoeker (via de officier van justitie) opgekomen. De rechtbank heeft dit verzoek opgevat als (onder meer) een verzoek tot ontslag uit het ziekenhuis, al dan niet onder voorwaarden, en dit verzoek afgewezen. In cassatie klaagt verzoeker onder meer over overschrijding van de wettelijke beslistermijn.

De Hoge Raad overweegt dat vast staat dat de rechtbank de termijn van drie weken die zij bij het nemen van haar beslissing op het ontslagverzoek in acht had behoren te nemen (ruimschoots) heeft overschreden. Dat brengt echter geen nietigheid mee. De Wet Bopz bedreigt deze termijnoverschrijding niet uitdrukkelijk met nietigheid en evenmin kan gezegd worden dat hier sprake is van schending van een zo essentieel procedurevoorschrift dat nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, als bedoeld in art. 79 RO. De Hoge Raad merkt hierbij op dat ten tijde van de in cassatie bestreden beschikking van wederrechtelijke vrijheidsbeneming geen sprake was, nu verzoeker na de intrekking van het voorwaardelijk ontslag krachtens de nog lopende machtiging tot voortgezet verblijf in het ziekenhuis verbleef.

Share This