HR 23 september 2011, LJN ECLI:NL:HR:2011:BT2416

Wanneer een verzoekschrift is gericht aan het juiste gerecht maar wordt ingediend bij een ander gerecht, mag verwacht worden dat de griffie deze fout binnen korte tijd onderkent en het verzoekschrift doorgeleidt naar het juiste gerecht. Het verzoekschrift wordt dan geacht te zijn ingediend op het tijdstip van binnenkomst bij het andere, verkeerde gerecht.

In deze echtscheidingszaak heeft de rechtbank bij beschikking van 12 augustus 2009 de echtscheiding uitgesproken en enkele nevenvoorzieningen getroffen. Op 12 november 2009, de laatste dag van de appeltermijn, heeft de man hoger beroep ingesteld met een per fax verzonden verzoekschrift. Daarbij gaat echter wat mis: bij de verzending van het verzoekschrift wordt niet het faxnummer van het hof maar het faxnummer van de rechtbank gebruikt. Bij de griffie van de rechtbank is de fax om 16.39 uur binnengekomen, maar dat was – zo stelt het hof later vast – na sluitingstijd die dag. De griffie van de rechtbank heeft de fax wel de volgende dag doorgeleid naar de griffie van het hof. Op die dag is ook het originele verzoekschrift bij de griffie van het hof bezorgd.

Het hof was van oordeel dat de man het verzoekschrift in hoger beroep te laat had ingediend aangezien dit pas op 13 november 2009 ter griffie van het hof was binnengekomen. De man werd daarom niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaard. Dit oordeel van het hof vindt wel genade in de ogen van A-G Strikwerda, maar niet in die van de Hoge Raad:

“Het gaat hier om het geval dat een verzoekschrift is gericht aan het juiste gerecht, maar vanwege de verzoeker wordt ingediend bij een ander gerecht. Verwacht mag worden dat de griffie van dit laatste gerecht deze fout binnen korte tijd onderkent en het verzoekschrift dan onverwijld doorgeleidt naar het juiste gerecht.Deze doorgeleiding zal echter in de praktijk niet altijd dezelfde dag (kunnen) plaatsvinden, zoals de feiten van deze zaak illustreren. Een redelijke, met de eisen van een goede procesorde verenigbare wetstoepassing brengt daarom mee dat een dergelijk verzoekschrift geacht wordt te zijn ingediend op het tijdstip van binnenkomst bij het andere, verkeerde gerecht. Doordat de griffie van dit gerecht, evenals de griffie van het juiste gerecht, de ontvangst en het tijdstip van het verzoekschrift registreert en behoort te registreren, staan de ontvangst en het tijdstip daarvan met de vereiste mate van zekerheid vast. De man heeft het appelverzoekschrift dus binnen de termijn ingediend.”

Dit oordeel van de Hoge Raad is opvallend. In HR 24 maart 2000, LJN AA5263 – waarin het ging om een cassatieverzoekschrift dat abusievelijk niet was bezorgd bij de Hoge Raad maar bij het Paleis van Justitie in Den Haag – oordeelde de Hoge Raad nog dat als uitgangspunt heeft te gelden dat degene die een stuk op een verkeerd adres bezorgt of laat bezorgen, dit doet op eigen risico. Voor een analogische toepassing van de “doorzendplicht” van art. 6:15 Awb zag de Hoge Raad toen geen grond vanwege de verplichte procesvertegenwoordiging in procedures voor de burgerlijke rechter.

Hoewel de Hoge Raad dat niet met zoveel woorden zegt, lijkt het er sterk op dat hij nu is omgegaan ten opzichte van zijn uitspraak van 24 maart 2000. De Hoge Raad spreekt in algemene termen van de “indiening bij een ander gerecht” dan waar het stuk had moeten worden ingediend. Dit lijkt erop te wijzen dat niet alleen bij de indiening van een stuk via een verkeerd faxnummer maar ook bij de bezorging bij een verkeerd gerecht, dit gerecht het stuk onverwijld zal moeten doorgeleiden naar het juiste gerecht. Het gaat er hier immers vooral om dat het tijdstip van binnenkomst van het stuk bij het verkeerde gerecht met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld. Bij indiening per fax is dat door de tijdsregistratie van de fax duidelijk het geval. Echter, bij de bezorging van stukken bij de griffie of Centrale Balie van een gerecht wordt normaal gesproken het ingediende stuk voorzien van een stempel met datum van binnenkomst. Aan de hand daarvan kan eveneens worden vastgesteld of het stuk tijdig – en dus met name: binnen de beroepstermijn – is ingediend. Ik zou denken dat zo’n datumstempel net als de tijdsregistratie van de fax de vereiste mate van zekerheid geeft over de datum van indiening. Wel is volgens de Hoge Raad vereist dat het verkeerd ingediende stuk aan het juiste gerecht is geadresseerd. Dat is ook logisch, omdat anders de griffie waar het stuk binnen komt niet “binnen korte tijd” (zoals de Hoge Raad in zijn uitspraak overweegt) de fout zal onderkennen en het stuk kan doorzenden aan het juiste gerecht.

Al met al wordt met deze uitspraak van de Hoge Raad het burgerlijk procesrecht weer een stukje verder gedeformaliseerd. Wat mij betreft een goede ontwikkeling. Ook voor de verplichte procesvertegenwoordiger (of diens hulppersonen, zoals de secretaresse die een stuk op de fax zet) is een vergissing menselijk. Zolang kan worden vastgesteld dat het betrokken stuk wel tijdig is ingediend, is er eigenlijk geen goede reden om aan zo’n vergissing fatale consequenties te verbinden.

Share This