Selecteer een pagina

HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726

De comparitie na aanbrengen in hoger beroep heeft een eigen doel en karakter. Deze comparitie strekt er met name toe voor een schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten de mogelijkheid van een schikking te beproeven of afspraken te maken over het procesverloop. Indien partijen op deze zitting ook een toelichting geven op hun standpunten, behoeft dit niet plaats te vinden ten overstaan van de (meervoudige) kamer die ook eindarrest zal wijzen.

Het staat een partij vrij om tegenbewijs te leveren, voordat een definitieve waardering van de bewijsmiddelen wordt gegeven (mits terzake dienend). Een bewijsaanbod mag voorts niet worden gepasseerd op grond van een prognose van het resultaat van (tegen)bewijslevering die nog niet heeft plaatsgevonden. Ook mag aan een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet de eis gesteld worden dat het voldoende is gespecificeerd.

Het gaat in dit geschil over de vraag of het hof einduitspraak had mogen doen zonder dat het partijen had gewezen op hun recht een mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van de raadsheren die in meervoudige kamer over de zaak zouden beslissen. Verder is in dit geschil de vraag aan de orde of het hof terecht een aanbod tot het leveren van tegenbewijs door eisers tot cassatie (hierna: eisers) had mogen passeren.

Feiten en verloop geding in feitelijke instanties

 Eisers en verweerder tot cassatie (hierna: verweerder) zijn achterburen. Verweerder is sinds 1999 eigenaar van zijn perceel. Eisers zijn sinds 2015 eigenaar van hun perceel. Tussen beide percelen stond voorheen over de lengte een schutting. Verweerder heeft in 2001 aan de achterkant van zijn perceel een schuur gebouwd, waarvoor hij een deel van de schutting heeft verwijderd. Volgens het Kadaster staat de schuur van verweerder gedeeltelijk op het perceel van eisers.

Eisers vorderen (a) een verklaring voor recht dat de erfgrens overeenkomt met de kadastrale grens; (b) een verklaring voor recht dat de schuur van verweerder zich gedeeltelijk op het perceel van eisers bevindt; en (c) een veroordeling van verweerder om dat gedeelte van de schuur te verwijderen.

In reconventie vordert verweerder (a) een verklaring voor recht dat het in geding zijnde stukje grond door verjaring zijn eigendom is geworden en (b) veroordeling van eisers om mee te werken aan aanpassing van de registratie van de eigendomssituatie door middel van een door de notaris op te stellen akte en de inschrijving daarvan in de registers.

In eerste aanleg heeft de rechtbank de vorderingen van eisers afgewezen en de (reconventionele) vorderingen van verweerder toegewezen. Vervolgens heeft in hoger beroep een comparitie na aanbrengen plaatsgevonden ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Blijkens het tussenarrest was het doel van deze comparitie “[…] het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling […].  Vervolgens is eindarrest gewezen door een combinatie waar de voornoemde raadsheer-commissaris geen onderdeel van uit maakte. Ook heeft geen nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden.

Het geding in cassatie

 Mondelinge behandeling

Het eerste cassatiemiddel klaagt dat het hof einduitspraak  heeft gedaan zonder dat het partijen heeft gewezen op hun recht om een mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van de raadsheren die in een meervoudige kamer over de zaak zouden gaan beslissen. Eisers zijn van mening, dat nu de comparitie mede is benut partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten (en dus niet alleen voor het beproeven van een schikking), had deze comparitie dienen plaats te vinden ten overstaan van de drie raadsheren die ook daadwerkelijk de beslissing zouden nemen.

De Hoge Raad stelt bij de behandeling van het middel voorop dat indien een zaak meervoudig wordt beslist, een aan die beslissing voorafgaande mondelinge behandeling die mede tot doel heeft partijen in de gelegenheid te stellen hun stelling toe te lichten, in beginsel plaats dient te vinden van de drie rechters die de beslissing zullen nemen. Van een dergelijk doel is volgens de Hoge Raad in het algemeen sprake bij een mondelinge behandeling die plaatsvindt in aansluiting op de eerste schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten (respectievelijk de memorie van grieven en de memorie van antwoord).

Voorts gaat de Hoge Raad in op het geval dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden ten overstaan van een rechter-commissaris:

“3.2.2 De hiervoor […]vermelde regels zijn niet van toepassing indien de mondelinge behandeling ten overstaan van de rechter-commissaris niet mede tot doel heeft dat partijen de gelegenheid krijgen om hun stellingen toe te lichten, maar bijvoorbeeld uitsluitend ertoe strekt om een schikking te beproeven of om inlichtingen in te winnen. Dat is evenwel anders indien een dergelijke mondelinge behandeling in werkelijkheid (ook) wordt benut om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten. In dat laatste geval zal aan partijen alsnog gelegenheid moeten worden gegeven om een nadere mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. De rechter-commissaris kan partijen die gelegenheid al bij de behandeling geven. Partijen kunnen dan desgewenst tijdens de behandeling afstand doen van de mogelijkheid om een nadere mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer te verzoeken.

3.2.3 Voornoemde regels houden verband met de betekenis van de mondelinge behandeling, waarbij de mondelinge interactie tussen partijen en de rechter ter zitting van wezenlijke invloed kan zijn op de oordeelsvorming van de rechter. Het uitgangspunt dat een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling, in beginsel behoort te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, dient ertoe te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van de beslissing.

Ten aanzien van het karakter van de comparitie na aanbrengen overweegt de Hoge Raad als volgt:

3.3.2 “De comparitie na aanbrengen (of comparitie vóór grieven) in hoger beroep heeft een eigen doel en karakter. Deze comparitie strekt met name ertoe om, nog voordat een schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten plaatsvindt, de mogelijkheid van een schikking te beproeven of afspraken over het procesverloop in hoger beroep te maken. De rechtsstrijd in hoger beroep is op dat moment nog niet omlijnd, en de comparitie is niet bedoeld om op de grondslag van hetgeen aldaar wordt besproken tot een inhoudelijke beslissing van de zaak te komen. Indien partijen op deze zitting een toelichting geven op hun standpunten, kan dat niet worden aangemerkt als een toelichting van hun stellingen in de zin bedoeld hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2. Partijen krijgen, indien zij geen schikking hebben bereikt of geen andersluidende procesafspraken hebben gemaakt, na de comparitie de gelegenheid om bij memorie van grieven respectievelijk memorie van antwoord hun standpunten in hoger beroep kenbaar te maken en toe te lichten. Ook wordt hun daarna nog de gelegenheid gegeven om een mondelinge behandeling te verzoeken, op welke mondelinge behandeling dan de regels van toepassing zijn zoals hiervoor in 3.2.1 weergegeven.

  De in het eerste middel vervatte klachten kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

Levering van tegenbewijs

 Eisers klagen in hun tweede middel dat het hof hen ten onrechte niet heeft toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Daartoe betoogt het middel dat een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet gespecificeerd behoeft te worden en dat voor een dergelijk bewijsaanbod een prognoseverbod geldt.

De Hoge Raad volgt het betoog van eisers en gaat na welke eisen het hof mocht stellen aan de gemotiveerde betwisting van eisers, evenals het aanbod tot het leveren van tegenbewijs:

3.5.1 “Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat het voor een geslaagd beroep op verkrijgende verjaring, op de weg van [verweerder] ligt om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hij of zijn rechtsvoorgangers de betwiste strook grond gedurende twintig jaar in bezit hebben gehad. In dit verband heeft [verweerder] onder meer gesteld dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vóór 2001 de schutting heeft gestaan. Deze stelling heeft [verweerder] onderbouwd met verklaringen van vier omwonenden.

 [eisers] hebben betwist dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vóór 2001 de schutting heeft gestaan. Volgens [eisers] heeft [verweerder] destijds de erfafscheiding verplaatst. Zij hebben de verklaringen van de omwonenden bestreden, en de betwisting onderbouwd met fotomateriaal en met reconstructies die door RBZ en door [eisers] zelf zijn gemaakt op basis van dat fotomateriaal. Tegenover deze reconstructies heeft [verweerder] een contra-expertise in het geding gebracht. [eisers] hebben de inhoud van deze contra-expertise bij akte gemotiveerd en onderbouwd met producties bestreden.

 In het licht van dit partijdebat, is zonder nadere motivering onvoldoende begrijpelijk het oordeel van het hof (in rov. 21) dat [eisers] de stelling van [verweerder] onvoldoende gemotiveerd hebben betwist. Mede gelet op de omstandigheid dat [eisers] pas sinds 2015 eigenaar zijn van hun perceel, valt niet in te zien wat van [eisers] nog meer kon worden verlangd om hun betwisting voldoende te motiveren.

3.5.2 Het hof heeft (in rov. 30) [eisers] niet toegelaten tot bewijslevering.

Voor zover deze beslissing erop is gegrond dat [eisers] de stelling van [verweerder] dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vóór 2001 de schutting heeft gestaan, onvoldoende hebben betwist, is dat oordeel onvoldoende begrijpelijk, gelet op hetgeen hiervoor in 3.5.1 is overwogen.

Voor zover de beslissing van het hof erop is gebaseerd dat op grond van een waardering (in rov. 14-21) van het in de processtukken al voorhanden bewijsmateriaal, reeds vaststaat dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vóór 2001 de schutting heeft gestaan, heeft het hof miskend dat het [eisers] ingevolge art. 151 lid 2 Rv vrijstaat tegenbewijs te leveren, voordat een definitieve waardering van de bewijsmiddelen wordt gegeven.

Voor zover de beslissing van het hof erop is gebaseerd dat het bewijs waarop het aanbod van [eisers] ziet, niet tot een ander oordeel kan leiden, is zijn oordeel eveneens onbegrijpelijk. Dat het bewijsaanbod terzake dienend is, volgt reeds uit de omstandigheid dat het betrekking heeft op een feitelijke stelling die dragend is geweest voor het oordeel van het hof. Een bewijsaanbod mag voorts niet worden gepasseerd op grond van een prognose van het resultaat van (tegen)bewijslevering die nog niet heeft plaatsgevonden.

Tot slot geldt dat aan een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet de eis mag worden gesteld dat het voldoende is gespecificeerd, zodat ook dat geen grond voor het passeren van het bewijsaanbod kan zijn.

Volgt vernietiging van het arrest van het hof Den Haag en verwijzing naar het hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Share This