HR 12 april 2019 ECLI:NL:HR:2019:572

Zolang niet bewezen is van wie de handtekening op een onderhandse akte afkomstig is en de ondertekening stellig wordt ontkend, komt aan de akte geen bewijskracht toe (zie art. 159 lid 2 Rv). De bewijslast van de echtheid van de ondertekening rust op degene die zich op het stuk beroept. Voor de toepassing van artikel 159 lid 2 Rv, worden naast een ‘stellige ontkenning’ geen verdere eisen gesteld. De ontkenner hoeft geen onderbouwing van zijn ontkenning te geven.

Achtergrond van de zaak

Echtpaar A en B hebben aannemer C opdracht gegeven tot het verrichten van werkzaamheden aan hun woning. A en B stellen dat (i) de handtekening op een door aannemer C opgesteld meerwerkoverzicht niet van A is en (ii) als het wel de handtekening van A is, A die handtekening niet op het overzicht heeft geplaatst. Op verzoek van A en B is er een forensisch schriftonderzoek naar de handtekening gedaan. Daaruit is gebleken dat de handtekeningen met balpeninkt zijn vervaardigd en het in ieder geval originele schrijfproducties zijn.

In deze procedure vordert aannemer C betaling van (het restant van) de aannemingssom en het door hem verrichte meerwerk aan de woning van A en B. In reconventie vorderen A en B schade die zij door de werkzaamheden van C stellen te hebben geleden. De rechtbank heeft de vordering van aannemer C (gedeeltelijk) toegewezen en die van A en B afgewezen. Het hof heeft in een tussenarrest overwogen dat A en B hun betwisting met betrekking tot de ondertekening van het meerwerkoverzicht onvoldoende hebben onderbouwd en geen specifiek bewijsaanbod hebben gedaan. Volgens het hof komt aan het meerwerkoverzicht dan ook bewijskracht toe. Bij eindarrest heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, zonder A en B te hebben toegelaten tot bewijslevering over de gestelde schade aan hun woning.

Cassatie

Tegen dat oordeel zijn A en B in cassatie opgekomen. In de eerste plaats klagen zij dat er wel degelijk stellig is ontkend dat de handtekening op het meerwerkoverzicht van A afkomstig is en er aan het overzicht geen bewijskracht kan toekomen. De Hoge Raad acht die klacht gegrond en stelt daartoe (in rov. 3.3.2) het volgende voorop:

“Het gaat bij dit geschilpunt over de vraag of een onderhands stuk, dat als akte wordt tegengeworpen aan een persoon wiens handtekening volgens degene die zich op dat stuk beroept, daarop is gesteld, als akte bewijskracht heeft tegenover die persoon. Daarvoor is ingevolge art. 156 lid 1 Rv vereist dat het stuk is bestemd om tot bewijs te dienen en is ondertekend door de partij tegen wie het wordt gebruikt. Art. 159 lid 1 Rv kent een authentieke akte uitwendige bewijskracht toe. Uit art. 159 lid 2 Rv blijkt dat de onderhandse akte die bewijskracht mist. Deze laatste bepaling brengt mee dat, indien de persoon aan wie een stuk als onderhandse akte wordt tegengeworpen, stellig ontkent dat de onder het stuk aanwezige handtekening van hem afkomstig is, aan het stuk geen enkele bewijskracht toekomt, zolang niet bewezen is van wie de handtekening afkomstig is. De bewijslast van de echtheid van de handtekening rust op degene die zich op het stuk beroept. Voor toepasselijkheid van art. 159 lid 2 Rv worden, naast een ‘stellige ontkenning’ geen verdere eisen gesteld. De ontkenner behoeft geen onderbouwing van zijn ontkenning te geven.”

Kortom, zolang niet bewezen is van wie de handtekening afkomstig is, leidt een stellige ontkenning ertoe dat aan een onderhandse akte geen bewijskracht toekomt. Nu in deze zaak uit de gedingstukken bleek dat A en B (primair) hebben ontkend dat de handtekening van A afkomstig is, is er sprake van een stellige ontkenning in de zin van artikel 159 lid 2 Rv en komt aan de akte geen bewijskracht toe. Het feit dat A en B daaraan een subsidiaire stelling hebben toegevoegd voor het geval de handtekening wel echt mocht worden bevonden, kan daar niet aan afdoen.

Bij die stand van zaken is het oordeel van het hof dat A en B op dit punt ten onrechte geen bewijsaanbod hebben gedaan eveneens onjuist. Het hof heeft miskend dat de bewijslast van de echtheid van de handtekening niet op A en B, maar op aannemer C rustte. Het is immers aannemer C die zich op de afspraken uit het meerwerkoverzicht beroept.

In cassatie klaagde A en B tevens dat het hof ten onrechte het bij pleidooi in hoger beroep gedane bewijsaanbod ten aanzien van de schade aan de woning heeft gepasseerd. In dat bewijsaanbod hadden A en B een aantal getuigen met name genoemd die zouden kunnen verklaren over de beweerde gebreken in het door C geleverde werk. Ook die klacht slaagt. Het hof had vastgesteld dat

(i) aannemer C de op de gebreken betrekking hebbende stellingen van A en B heeft betwist;
(ii) A en B een taxatierapport hebben overgelegd en aannemer C dat rapport heeft betwist, zodat er zonder nadere bewijslevering niet de door A en B gewenste conclusies aan dat rapport kunnen worden verbonden;
(iii)  ook een ander door A en B toegezonden rapport is door C bestreden.

Bij die stand zaken had het hof, dat niet heeft geoordeeld dat het bewijsaanbod niet aan de eisen voldeed, A en B moeten toelaten tot de aangeboden bewijslevering. Dat A en B geen deskundigenbewijs hebben aangebonden kan hen niet worden tegengeworpen, nu bewijs immers met alle middelen kan worden geleverd.

Tegen die achtergrond komt de Hoge Raad tot vernietiging van het arrest en verwijzing van het geding ter verdere behandeling en beslissing naar een ander hof (overeenkomstig de conclusie van A-G Wissink).

Share This