HR 5 april 2013, LJN BY9086 (Multiquest/Fricorp)

De enkele omstandigheid dat slechts een klein gedeelte van de vordering is toegewezen, brengt niet mee dat alle gevorderde kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte van ook dit laatstgenoemde bedrag, niet redelijk zijn geweest in de zin van art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW.

Art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c BW bepaalt dat redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen. In het woord “redelijke” ligt een dubbel redelijkheidsbegrip besloten: zowel het maken van de kosten als de omvang van de kosten moet redelijk zijn (al vaste rechtspraak onder het oude recht sinds HR 3 april 1987, NJ 1988, 275 (L&L/Drenth)). De rechter heeft een grote vrijheid bij de uitvoering van deze dubbele redelijkheidstoets en hoeft zijn oordeel nauwelijks te motiveren. Maar daar zit een ondergrens aan: als buitengerechtelijke kosten worden gevorderd en deze zijn volgens de rechter niet redelijk, dan zal uit de motivering moeten blijken waarom niet.

Multiquest vorderde in hoofdsom ruim 4 miljoen euro van Fricorp, maar het hof wees slechts 3 ton toe. De gevorderde buitengerechtelijke kosten – ruim 6.000 euro – wees het hof af met de motivering dat de incassowerkzaamheden waren gericht op de invordering van een veel hoger, niet toewijsbaar, bedrag.

In cassatie blijft dit aldus gemotiveerde oordeel niet in stand. Er zit natuurlijk een groot gat tussen 4 miljoen en 3 ton, maar dat enkele feit betekent nog niet dat er in het geheel geen redelijke buitengerechtelijke kosten waren gemaakt om ook die 3 ton te innen, aldus de Hoge Raad.

Dat ligt wel voor de hand. Het is immers goed denkbaar dat ook met betrekking tot die 3 ton nog steeds redelijke kosten zijn gemaakt. Daarbij kan onder meer worden bedacht dat (redelijke) kosten gemoeid met incassowerkzaamheden niet zonder meer evenredig zullen zijn aan de hoofdsom.

Dat de rechter – ook al hoeft hij zijn oordeel niet uitvoerig te motiveren – de dubbele redelijkheidstoets van de Hoge Raad wel daadwerkelijk moet toepassen (en zijn oordeel vervolgens ten minste minimaal moet motiveren), blijkt ook uit een uitspraak van bijna een jaar geleden, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het rapport Voor-werk II de rechter niet ontslaat van de verplichting om te beoordelen of een forfaitaire vergoeding conform de aanbeveling uit dit rapport, ook tot een “redelijk” bedrag leidt in de zin van art. 6:96 lid 2 onder c BW (HR 27 april 2012, LJN BV6690, CB 2012-98).

Share This