Selecteer een pagina

HR 9 november 2012, LJN BX7851 (ABN AMRO Lease/Ontvanger)

De enkele beëindiging van de leaseovereenkomst en opeising van bodemzaken door de leasegever zijn te beschouwen als (het begin van) het gebruikmaken van het zekerheidskarakter van zijn eigendom en brengen, zolang de zaken zich nog op de bodem van de belastingschuldige bevinden, op zichzelf geen wijziging in de voor het bodemrecht van de Ontvanger relevante aard van het eigendomsrecht met betrekking tot die zaken. Opzegging en opeising zijn dus ontoereikend om te bewerkstelligen dat het tot zekerheid strekkende eigendomsrecht van de leasegever, voor de toepassing van het bodemrecht, “promoveert” tot de in het beleid van de fiscus bedoelde reële eigendom (welke eigendom door de Ontvanger moet worden ontzien).

Het bodemrecht van de fiscus

Centraal in deze zaak staat het bodemrecht van de fiscus, dat is neergelegd in art. 22 lid 3 Invorderingswet 1990 (Iw). Het bodemrecht geeft de Ontvanger de mogelijkheid zich voor een aantal soorten belastingschulden (na het leggen van bodembeslag) te verhalen op bepaalde zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden (zogeheten bodemzaken, zie deze eerdere bijdrage op Cassatieblog), maar die toebehoren aan een derde. Het wettelijk uitgangspunt is dat verhaal op alle bodemzaken van derden mogelijk is indien aan de voorwaarden van art. 22 lid 3 Iw is voldaan. In het beleid van de Ontvanger (in de Leidraad Invordering) is echter een uitzondering op dat uitgangspunt opgenomen ten behoeve van derden die beschikken over (wat wordt aangeduid als) reële eigendom van de desbetreffende bodemzaken. Een dergelijk reëel eigendomsrecht wordt door de Ontvanger ontzien. Ingevolge de Leidraad Invordering is sprake van reële eigendom indien de zaken zowel juridisch eigendom zijn van de derde als in economisch opzicht in overwegende mate aan hem toebehoren. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat reële eigendom geplaatst kan worden tegenover (het naar Nederlands recht enigszins moeizame begrip) zekerheidseigendom.

De casus

In deze zaak speelde het volgende. De vennootschappen Wafim, Malatex en DPS vormden samen een groep en hielden alle kantoor in hetzelfde bedrijfspand, dat werd gehuurd door Wafim. DPS hield zich in dat pand bezig met handel in en fabricage van onder meer textielgrondstoffen en plastics. Daartoe maakte zij gebruik van machines die in eigendom toebehoorden aan ABN AMRO Lease en in (financiële) lease waren gegeven aan Malatex. Nadat was gebleken van betalingsproblemen, heeft ABN AMRO Lease de leaseovereenkomst beëindigd en meegedeeld dat de machines niet meer mochten worden gebruikt en per omgaande aan ABN AMRO Lease ter beschikking dienden te worden gesteld. Kort nadien zijn Wafim, Malatex en DPS failliet verklaard. Vervolgens heeft de Ontvanger in verband met onbetaalde belastingschulden van Wafim en DPS op grond van art. 22 lid 3 Iw executoriaal beslag laten leggen op de in het bedrijfspand aanwezige machines.

ABN AMRO Lease heeft zich op het standpunt gesteld dat de Ontvanger door beslaglegging onrechtmatig heeft gehandeld door inbreuk te maken op haar eigendomsrecht op de machines, en schadevergoeding gevorderd.

Geen reële eigendom door opzegging leaseovereenkomst

Aan haar vordering heeft ABN AMRO Lease in de eerste plaats het betoog ten grondslag gelegd dat haar eigendomsrecht – als gevolg van de opzegging van de leaseovereenkomst en opeising van de machines – moet worden aangemerkt als reële eigendom in de zin van de Leidraad Invordering, zodat het door de Ontvanger moest worden ontzien.

Het hof heeft dit betoog verworpen en daartoe geoordeeld dat opzegging van de leaseovereenkomst in combinatie met de opeising van de machines niet heeft bewerkstelligd dat het tot zekerheid strekkende eigendomsrecht van ABN AMRO Lease is “gepromoveerd” tot reële eigendom. Bij zijn toetsing van dit oordeel stelt de Hoge Raad het volgende voorop (r.o. 3.3).

“(i) Het bodemrecht van art. 22 lid 3 Iw strekt ertoe te waarborgen dat de Ontvanger zich in weerwil van eventuele rechten van een derde, op de inbeslaggenomen zaak overeenkomstig zijn rang kan verhalen alsof de zaak aan de belastingschuldige toebehoort, met name indien deze rechten van de derde zijn gevestigd met het oog op zekerheid voor de nakoming van verplichtingen van de belastingschuldige jegens deze derde.

(ii) Uit de wetsgeschiedenis van de Iw (…) en uit de Leidraad Invordering – zowel de hier toepasselijke Leidraad Invordering 1990 als de Leidraad Invordering 2008 – volgt dat de hiervoor genoemde rechten van de derde, waartegen het bodemrecht de Ontvanger bescherming biedt, mede omvatten de figuur van de ‘financial lease’, omdat de rechten van de leasegever op één lijn kunnen worden gesteld met die van de zekerheidsgerechtigde bij andere zekerheidsrechten, zoals het in art. 21 lid 2 Iw bedoelde pandrecht op bodemzaken.

(iii) In de Leidraad Invordering – wederom: zowel de hier toepasselijke Leidraad Invordering 1990 als de Leidraad Invordering 2008 – is bepaald dat bij de uitoefening van het bodemrecht rechten van derden met betrekking tot in beslag genomen zaken zullen worden gerespecteerd, mits sprake is van reële eigendom, hetgeen in dit verband betekent dat de zaken zowel juridisch eigendom zijn van de derde als in economisch opzicht in overwegende mate aan hem toebehoren.”

Vervolgens komt de Hoge Raad tot het oordeel dat het hof tegen deze achtergrond terecht heeft geoordeeld dat de beëindiging door ABN AMRO Lease van de leaseovereenkomst – die moet worden aangemerkt als financial lease –onvoldoende is om haar rechten als leasegever van de machines te laten prevaleren boven het bodemrecht van de Ontvanger. De Hoge Raad vervolgt:

“Weliswaar is deze beëindiging gevolgd door opeising van de machines, maar dat heeft niet ertoe geleid dat deze van de bodem van de belastingschuldige waren weggevoerd voordat de Ontvanger overging tot beslaglegging.

De enkele beëindiging van de leaseovereenkomst en opeising van de machines door ABN AMRO Lease zijn te beschouwen als (het begin van) het gebruikmaken van het zekerheidskarakter van haar eigendom en hebben, zolang de machines zich nog op de bodem van de belastingschuldige bevonden, op zichzelf geen wijziging gebracht in de voor het bodemrecht van de Ontvanger relevante aard van het eigendomsrecht van ABN AMRO Lease met betrekking tot de machines. Het hiervoor omschreven handelen van ABN AMRO Lease was derhalve ontoereikend om te bewerkstelligen dat zij de in art. 22 § 5 lid 4 Leidraad Invordering 1990 bedoelde reële eigendom van de machines verkreeg.”

Economische eigendom belastingschuldige niet vereist

ABN AMRO Lease heeft ook nog betoogd dat de fiscus zijn bodemrecht alleen dan kan uitoefenen als de zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden, in economisch opzicht als zijn zaken zijn aan te merken. Daarvan was in dit geval volgens ABN AMRO lease geen sprake, aangezien Malatex leasenemer en economsich rechthebbende was, terwijl beslag was gelegd voor belastingschulden van Wafim en DPS. Ook dit betoog wordt door de Hoge Raad verworpen:

“Voor de uitoefening van het bodemrecht door de Ontvanger is in beginsel voldoende dat de desbetreffende zaken zijn aan te merken als bodemzaken van de belastingschuldige in de zin van art. 22 lid 3 Iw.
Indien dat het geval is, kan de Ontvanger het bodemrecht van art. 22 lid 3 Iw uitoefenen, tenzij sprake is van de in art. 22 § 5 lid 4 Leidraad Invordering 1990 bedoelde situatie dat die zaken in reële eigendom toebehoren aan een derde. Nu het hof (…) heeft vastgesteld dat de in beslag genomen machines niet in reële eigendom toebehoorden aan ABN AMRO Lease, deed die uitzondering zich niet voor en mocht de Ontvanger derhalve gebruikmaken van het bodemrecht. Daartoe is niet vereist dat (apart vastgesteld wordt dat) de desbetreffende bodemzaken geheel of gedeeltelijk in economische eigendom toebehoren aan de belastingschuldige, of anderszins in een bepaalde (rechts)verhouding tot hem staan. Aan de wettelijke regeling van art. 22 lid 3 Iw ligt immers het uitgangspunt ten grondslag dat zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden, in een zodanige (feitelijke of juridische) verhouding tot hem staan dat uitoefening van het bodemrecht door de Ontvanger gerechtvaardigd is.”

De Ontvanger is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en de auteur, en in feitelijke instanties door Arno Voerman.

Share This