HR 8 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:606

Bij overschrijding van de eenmalige termijn op grond van het Pilotreglement van het hof Amsterdam moet de door de goede procesorde vereiste belangenafweging leiden tot het verlenen van een termijn van veertien dagen om het verzuim te herstellen. De rolraadsheer moet deze afweging ambtshalve maken, op het moment dat hij constateert dat niet op de eerste daartoe bepaalde datum van grieven is gediend, ook als appellant niet heeft verzocht om alsnog van grieven te mogen dienen. 

Het gaat in deze zaak om de vraag of het hof Amsterdam akte niet-dienen van grieven mocht verlenen op basis van het per 1 januari 2013 bij dit hof geldende pilotreglement. Op grond van dit reglement is er één termijn voor het indienen van memories, die niet wordt verlengd, terwijl bij overschrijding van die termijn, zonder peremptoirstelling of voorafgaande waarschuwing, ambtshalve akte niet-dienen wordt verleend.

Eisers in cassatie hadden hun memorie van grieven niet binnen de termijn bij het hof ingediend. Op de rol is toen verval van recht verleend op het nemen van grieven. Vervolgens verklaarde het hof eisers bij gebreke van grieven niet-ontvankelijk. Tegen dit arrest en de rolbeslissing hebben eisers cassatie ingesteld. Het middel klaagt kort gezegd dat het Hof eisers ten onrechte geen nadere termijn heeft verleend.

De Hoge Raad heeft hierover in zijn arrest van 17 april 2015  (zie daarover: CB 2015-68) geoordeeld: (i) dat de goede procesorde meebrengt dat – met toepassing van art. 1.6 van het pilotreglement – het belang van het voorkomen van onredelijke vertraging van het geding moet worden afgewogen tegen de ernst van het verzuim en de gevolgen die strikte naleving van het reglement zou hebben voor de procesvoering van de partij die erdoor wordt getroffen en (ii) dat in een geval waarin niet op de eerste daartoe bepaalde datum van grieven is gediend, die afweging zonder meer dient te leiden tot het verlenen van een (korte) termijn van veertien dagen om het verzuim te herstellen.

De onderhavige zaak wijkt echter af van de zaak die heeft geleid tot dit arrest, omdat eisers na verlening van akte niet-dienen en vóór het wijzen van het arrest niet hebben verzocht om alsnog van grieven te mogen dienen.

Maar dat maakt niet uit, oordeelt de Hoge Raad (r.o. 3.2.3):

“Anders dan PWC c.s. betogen, behoort de hiervoor onder (ii) genoemde afweging niet anders uit te vallen indien de appellant niet vóór het wijzen van arrest heeft verzocht om alsnog van grieven te mogen dienen. De rolraadsheer dient bedoelde afweging ambtshalve te maken, op het moment dat hij constateert dat niet op de eerste daartoe bepaalde datum van grieven is gediend. Indien de rolraadsheer heeft nagelaten een nadere termijn voor grieven te verlenen, mag geen niet-ontvankelijkverklaring volgen, maar dient het hof appellant alsnog de hiervoor bedoelde korte termijn te verlenen.”

Share This