Selecteer een pagina

HR 13 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:416 (X/BING)

Een vordering tot rectificatie is geen rechtsvordering betreffende een recht dat tot de boedel behoort in de zin van art. 25 lid 1 Fw gelet op het persoonlijke karakter ervan. De curator is daarom niet bevoegd het geding ter zake een dergelijke vordering  over te nemen. Indien de curator het geding niettemin (ook in zoverre) heeft overgenomen en de rechtbank dit heeft geaccepteerd, moet de gefailleerde die de overname betwist tegen deze (rol)beslissing van de rechtbank echter wel een rechtsmiddel instellen om te voorkomen dat zij kracht van gewijsde krijgt.

Feiten

Het gaat in dit geschil over de vraag of de curator van eiseres tot cassatie, mevrouw X, de procedure waarin zij voor haar faillissement verwikkeld was tegen Bureau Integriteit B.V. (hierna: BING), heeft kunnen overnemen op de voet van art. 27 Fw.

Mevrouw X is in het verleden burgemeester geweest. De gemeenteraad van de gemeente waarvan zij burgemeester was, heeft aan BING, een onderzoeksbureau op het gebied van integriteit van het openbaar bestuur, opdracht gegeven onderzoek te doen naar (tekortkomingen in) het professionele handelen van mevrouw X. Mevrouw X heeft na het bekend worden van het onderzoeksrapport een klacht ingediend bij de Accountantskamer tegen de registeraccountant die voor BING het onderzoek heeft uitgevoerd. Tegen de uitspraak van de Accountantskamer is mevrouw X in beroep gegaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb). Het CBb heeft de betrokken registeraccountant berispt. Enkele maanden na deze uitspraak werd daaraan in een televisieprogramma aandacht besteed . Ook werd mevrouw X geïnterviewd. Naar aanleiding van deze uitzending heeft BING een verklaring geplaatst op haar website.

Procedure bij de rechtbank

Mevrouw X, die werd bijgestaan door haar advocaat mr. Van Hardenbroek, vordert dat BING wordt veroordeeld tot schadevergoeding en tot rectificatie van de berichten op haar website. Aan deze vorderingen legt mevrouw X ten grondslag dat BING jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld doordat haar rapport op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

 Tijdens het geding in eerste aanleg is mevrouw X failliet verklaard. Na schorsing van de procedure op verzoek van BING is als “uitlating van eiser” in het roljournaal aangetekend: “curator neemt over, v Hardenbr blijft adv.”. Na voortzetting van de procedure heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen. Tegen dit eindvonnis heeft mevrouw X hoger beroep ingesteld. De curator heeft niet geappelleerd.

 Oordeel van het hof

 Het hof heeft mevrouw X niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. Het heeft dit oordeel als volgt gemotiveerd. BING heeft overeenkomstig artikel 27 Fw de curator opgeroepen tot overneming van het geding. De curator heeft dit geaccepteerd zonder voorbehoud of beperking. Daarmee heeft de curator geen onderscheid gemaakt tussen de vordering tot schadevergoeding en de vordering tot rectificatie. Mevrouw X heeft zich in eerste aanleg ook niet op het standpunt gesteld dat een deel van het geding niet voor overname door de curator in aanmerking kwam. Haar advocaat heeft zonder voorbehoud of beperking te kennen gegeven de zaak verder voor de curator (en dus kennelijk niet meer voor mevrouw X) te behandelen. De rectificatievordering kan voorts niet louter als een persoonlijke vordering van mevrouw X worden gezien, nu deze vordering ten bate van de boedel ertoe strekt verdere financiële schade te voorkomen. Daar komt nog bij dat de schadevergoedingsvordering en de rectificatievordering dusdanig met elkaar zijn verweven dat het maken van een onderscheid niet zou stroken met het doel en de strekking van artt. 25-29 Fw. De curator heeft derhalve de gehele procedure overgenomen, mevrouw X is buiten het geding komen te staan en zij is geen procespartij meer.

Mevrouw X komt hiertegen in cassatie.

De Hoge Raad

 De Hoge Raad beoordeelt eerst of de curator inderdaad zowel de schadevergoedingsvordering als de rectificatievordering kon overnemen:

3.2.2 Om te kunnen aannemen dat een rechtsvordering een tot de failliete boedel behorend recht tot onderwerp heeft als bedoeld in art. 25 lid 1 Fw, is niet voldoende dat de boedel op de een of andere wijze wordt geraakt door de toe- of afwijzing van die vordering. Het moet gaan om vorderingen waarbij vermogensbelangen in geschil zijn. […]

Wanneer de gefailleerde verscheidene rechtsvorderingen heeft ingesteld, hangt het van de aard van iedere vordering afzonderlijk af of zij al dan niet onder het toepassingsbereik van de art. 25 en 27 Fw valt. Dat geldt ook als de rechtsvorderingen op dezelfde feitelijke grondslag berusten en de beoordeling daarvan in elkaars verlengde ligt. […]

3.2.3 Het hof heeft in rov. 3.6 tot feitelijk uitgangspunt genomen dat de door [mevrouw X] ingestelde rectificatievordering ziet op haar eer en goede naam. Dat brengt mee dat die vordering een hoogstpersoonlijk karakter heeft, en dat [mevrouw X] als gefailleerde daarom zelf behoort te kunnen bepalen of en op welke wijze bescherming of herstel van haar eer en goede naam zal worden nagestreefd. De rectificatievordering van [mevrouw X] heeft geen betrekking op rechten en verplichtingen van de boedel. Dat toewijzing van de rectificatievordering ook gevolgen zou kunnen hebben voor de boedel, is niet toereikend voor het oordeel dat de vordering door art. 27 Fw wordt beheerst (zie hiervoor in 3.2.1-3.2.2). Voorts is in dit verband niet beslissend dat rectificatie mede kan worden beschouwd als een vorm van schadevergoeding anders dan in geld.

3.2.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de door [mevrouw X] ingestelde vordering tot rectificatie niet is te beschouwen als een rechtsvordering in de zin van art. 27 Fw, en dat de curator daarom niet bevoegd was die rechtsvordering over te nemen.”

De Hoge Raad oordeelt dat de op het voorgaande gerichte klachten daarom gegrond zijn. Ze kunnen evenwel niet tot cassatie leiden, omdat de het zichzelf terecht bestreden oordeel van het hof niet dragend is voor de niet-ontvankelijkheid van mevrouw X in haar hoger beroep.
De Hoge Raad somt daartoe eerst de feitelijke constateringen van het hof op. Hij concludeert op grond daarvan dat in cassatie het uitgangspunt moet zijn dat de curator, hoewel daartoe niet bevoegd, de gehele procedure in eerste aanleg, met inbegrip van de rectificatievordering, heeft overgenomen. Daarvan uitgaande overweegt de Hoge Raad:

3.3.3 […] Tegen de overneming van het geding door de curator als zodanig stelt de Faillissementswet geen rechtsmiddel open. Wel kan de gefailleerde in voorkomend geval opkomen tegen een beslissing van de rechter dienaangaande. In het onderhavige geval ligt een zodanige beslissing besloten in de aantekening in het roljournaal dat de curator het geding overneemt (zie hiervoor in 2.3.2). Door deze aantekening in het roljournaal heeft de rechtbank kenbaar gemaakt dat zij de overneming van het gehele geding – nu die overneming noch door de curator noch door de rechtbank is geclausuleerd of ingeperkt – als een rechtsfeit heeft geaccepteerd en dat zij daaraan het processuele gevolg zal verbinden dat de gefailleerde wordt aangemerkt als buiten het geding gesteld en dat alleen de curator nog als procespartij in de procedure kan optreden.

 Dit oordeel is een beslissing die ingrijpt in de rechten en belangen van de gefailleerde, nu deze buiten het geding is gesteld. Dit oordeel moet ten opzichte van de gefailleerde dan ook worden aangemerkt als een einduitspraak, waartegen hij buiten bezwaar van de boedel een rechtsmiddel kan aanwenden, en wel binnen de beroepstermijn die geldt in de zaak waarin hij buiten het geding is gesteld.

3.3.4 Nu [mevrouw X] in rechte werd vertegenwoordigd door een advocaat, die geacht wordt de rechtsgevolgen van overneming van het geding door de curator te kennen, was – gelet op de hiervoor in 3.3.2 weergegeven vaststellingen van het hof – voor haar kenbaar dat zij volgens de rechtbank buiten het geding was gesteld. Op zichzelf had zij daartegen met succes kunnen opkomen voor zover het de rectificatievordering betreft (zie hiervoor in 3.2.1-3.2.4). Vast staat echter dat [mevrouw X] niet (tijdig) een rechtsmiddel heeft aangewend tegen de daarop betrekking hebbende en uit de aantekening in het roljournaal blijkende beslissing van de rechtbank. Daarmee heeft die beslissing kracht van gewijsde gekregen, hetgeen meebrengt dat de rechtbank – zoals zij ook heeft gedaan – in haar eindvonnis alleen de curator als procespartij moest aanmerken.

Volgt verwerping van het beroep. Deze beslissing wijkt af van de conclusie van A-G Rank-Berenschot. Zij was evenals de Hoge Raad van oordeel dat de curator niet bevoegd was om de rectificatievordering over te nemen, maar meende dat mevrouw X geen rechtsmiddel hoefde aan te wenden tegen het de andersluidende rolbeslissing van de rechtbank.

Share This