Selecteer een pagina

HR 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:146 (X/mr. Van Loenen q.q.)

Een procedure wordt van rechtswege geschorst na schorsing van een advocaat (art. 226 Rv). Nadien verrichte proceshandelingen zijn nietig, mits degene die zich op nietigheid beroept benadeeld is door het feit dat de procedure niet is stilgelegd. In dit geval – waarin een getuigenverhoor buiten aanwezigheid van een advocaat had plaatsgevonden – is aan dit vereiste van benadeling voldaan. 

In het arrest HR 9 december 2011, LJN ECLI:NL:HR:2011:BT2915 [zie CB 2011-110] lag de vraag voor wat de gevolgen zijn van schorsing van een advocaat voor aanhangige procedures. De Hoge Raad oordeelde dat schorsing van een advocaat kwalificeert als “verlies van de hoedanigheid van advocaat” als bedoeld in art. 226 Rv. Dat betekent dat het geding van rechtswege wordt geschorst en dat proceshandelingen die na de schorsing van de procedure zijn verricht, van rechtswege nietig zijn (art. 226 lid 2 Rv jo. art. 225 lid 3 Rv).

In het arrest uit 2011 maakte de Hoge Raad echter een belangrijke kanttekening. Degene die een beroep doet op nietigheid van proceshandelingen moet gemotiveerd stellen dat hij benadeeld is door het feit dat de procedure niet is stilgelegd en dat hij dus is getroffen in door art. 226 Rv beschermde belangen. In die procedure had als gevolg van de schorsing het pleidooi, waarvoor al een datum was bepaald, geen doorgang gevonden. Daarmee was, aldus de Hoge Raad in genoemd arrest, voldaan aan de eis van benadeling.

In de hier besproken zaak voerde eiseres aan dat zij benadeeld was omdat een getuigenverhoor buiten aanwezigheid van een advocaat had plaatsgevonden. De Hoge Raad oordeelt dat ook in dit geval voldaan is aan het vereiste van benadeling.

“Zoals [eiseres] aanvoert, bestaat dat nadeel erin dat het getuigenverhoor doorgang heeft gevonden zonder dat zij daarbij door een advocaat was vertegenwoordigd – en daardoor geen vragen heeft kunnen stellen en geen contra-enquête heeft kunnen vragen -, en zij daarna ook niet, middels een memorie na enquête, heeft kunnen reageren op hetgeen bij het verhoor is verklaard”

Share This