HR 1 maart 2013, LJN BY7845 (Eiser/De Limburger c.s.)

De rechter kan de in art. 179 lid 2 Rv neergelegde bevoegdheid om een getuige te beletten een vraag te beantwoorden ook aanwenden om te voorkomen dat beantwoording van die vraag het recht op journalistieke bronbescherming in gevaar brengt. ’s Hofs oordeel dat beantwoording in casu zou leiden tot onthulling van de identiteit van journalistieke bron(nen) en aldus mogelijk een “verkillend effect” zou hebben op de vrijheid van meningsuiting, is niet onjuist of onbegrijpelijk.

In augustus en november 2005 zijn in dagblad De Limburger kritische artikelen gepubliceerd over eiser tot cassatie, destijds gemeenteraadslid in Arcen en Velden. In de artikelen stond onder meer vermeld dat eiser door personen uit zijn omgeving was betiteld als “(psychologisch) terrorist”. Eiser vordert € 10.000 smartengeld van dagblad De Limburger en de twee journalisten die de artikelen schreven, daartoe stellende dat hij door de betiteling “(psychologisch) terrorist” in zijn persoonlijke integriteit is aangetast.

In appel hebben De Limburger c.s., ten bewijze van hun stelling dat eiser daadwerkelijk “(psychologisch) terrorist” is genoemd, een getuige opgeroepen die woonachtig was in hetzelfde appartementencomplex als eiser. Deze verklaarde zich te herinneren dat een andere medebewoner tijdens een bijeenkomst in aanwezigheid van een journalist van De Limburger uitlatingen van die strekking had gedaan. Toen eiser de getuige hierop vroeg naar de naam van de bewuste medebewoner, hebben De Limburger c.s. bezwaar gemaakt, omdat beantwoording van die vraag volgens hen zou leiden tot openbaarmaking van bronnen waarop zij zich bij de gewraakte publicaties mede hadden gebaseerd, terwijl openbaarmaking daarvan in dit geval op ernstige bezwaren zou stuiten.

De raadsheer-commissaris heeft dit beroep op journalistieke bronbescherming gehonoreerd en heeft de getuige op de voet van art. 179 lid 2 Rv belet de vraag te beantwoorden. Ter onderbouwing overwoog de raadsheer-commissaris dat beantwoording van de vraag naar alle waarschijnlijkheid zou leiden tot het bekend worden van de identiteit van de bron(nen) van De Limburger c.s. en dat dit, hoewel deze identiteit dan niet zou zijn onthuld door de betrokken journalisten zelf, mogelijk een “verkillend effect” zou hebben op de vrijheid van meningsuiting, en met name het recht van bronbescherming. In zijn eindarrest heeft het hof de vordering van eiser afgewezen.

In cassatie klaagt eiser, kort gezegd, dat de raadsheer-commissaris de regels inzake journalistieke bronbescherming ten onrechte heeft toegepast op een “gewone” getuige, die, anders dan De Limburger c.s., geen beroep kon doen op journalistieke bronbescherming (vgl. de conclusie van A-G Huydecoper, sub 11).

Deze klacht faalt. De Hoge Raad stelt voorop dat de in art. 179 lid 2 Rv neergelegde bevoegdheid om een getuige te beletten een door een partij of haar raadsman gestelde vraag te beantwoorden niet alleen is bedoeld voor gevallen waarin de vraagstelling onbehoorlijk, suggestief of irrelevant is (vgl. PG Bewijsrecht, p. 273), maar ook kan worden aangewend om te voorkomen dat beantwoording van de vraag het recht op journalistieke bronbescherming in gevaar brengt. Voor de toepassing van art. 179 lid 2 Rv is niet van belang, aldus de Hoge Raad, door welke partij de getuige is opgeroepen. Voorts kan het artikel zowel worden toegepast ten aanzien van een getuige die te kennen geeft geen beroep te doen op een hem toekomend verschoningsrecht (vgl. art. 165 lid 2 of 3 Rv), als op een getuige aan wie géén verschoningsrecht toekomt. Of de getuige zelf bereid is de vraag te beantwoorden, doet bij de toepassing van art. 179 lid 2 Rv niet ter zake (rov. 3.4.2).

Al met al heeft de rechter bij de toepassing van art. 179 lid 2 Rv dus een grote mate van vrijheid. Dienovereenkomstig laat de Hoge Raad de beslissing van de raadsheer-commissaris in stand. Daarbij verwijst de Hoge Raad naar de recente uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Telegraaf Media c.s./Nederland, waarin – onder beklemtoning van het belang van journalistieke bronbescherming voor de persvrijheid in een democratische samenleving en van het mogelijk “verkillende effect” op de uitoefening van deze vrijheid van een bevel om journalistieke bronnen te onthullen – werd geoordeeld dat een dergelijk bevel niet met de in art. 10 EVRM neergelegde vrijheid van meningsuiting strookt, tenzij dit wordt gerechtvaardigd door “an overriding requirement in the public interest” (rov. 3.4.3).

Ook A-G Huydecoper benadrukte in zijn conclusie het belang van het recht op journalistieke bronbescherming (sub 15). Hij meende dat dit recht een “opmerkelijke lacune” zou vertonen en “illusoir” zou (dreigen te) worden, indien zou worden aanvaard dat in een geval als het onderhavige, waarin journalisten zich ter rechtvaardiging van een publicitaire uiting beroepen op een bron die geen bezwaar heeft tegen openbaarmaking van zijn identiteit, de betreffende bron (als getuige) verplicht zou zijn (althans niet belet zou kunnen worden) om ándere bronnen te noemen, ten aanzien waarvan wel aanspraak op bronbescherming wordt gemaakt (sub 16 e.v.).

Overigens signaleert Huydecoper dat de doorwerking van het recht op bronbescherming in het kader van het getuigenverhoor minder voor de hand ligt in een procedure tussen twee willekeurige partijen, niet zijnde journalist of publiciteitsmedium. Niettemin zou het ook in een dergelijke procedure denkbaar zijn, aldus Huydecoper, dat tussen (een van) de procespartijen en de journalist of het publiciteitsmedium in kwestie een zodanige relatie bestaat, dat partijen gehouden zijn de aanspraak op bronbescherming tegen zich te laten gelden (sub 23).

Share This