HR 14 juni 2019 ECLI:NL:HR:2019:958

Het slot van de tweede zin van art.1:102 BW (“met dien verstande …”) beperkt niet de toewijsbaarheid van de vordering tegen die echtgenoot, maar slechts de verhaalsmogelijkheden ter zake van die vordering. De rechter is daarom niet gehouden om, ook zonder dat daarom is verzocht, in het dictum die reeds uit de wet voortvloeiende beperking aan de toewijzing van de vordering te verbinden.

Op grond van art 1:102 BW, eerste volzin, is een echtgenoot na ontbinding van de huwelijksgemeenschap voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden waarvoor hij vóórdien aansprakelijk was. Art. 1:102 BW, tweede volzin, voegt daaraan toe dat voor andere gemeenschapsschulden een echtgenoot hoofdelijk met de andere echtgenoot is verbonden, met dien verstande dat daarvoor slechts kan worden uitgewonnen hetgeen hij uit hoofde van verdeling van de gemeenschap heeft verkregen, onverminderd de art. 190, eerste lid, en 191, eerste lid, van Boek 3.

Het vóór 1 januari 2012 geldende art. 102 kende een andere regeling: op grond daarvan werd de een echtgenoot slechts voor de helft aansprakelijk voor de hiervoor genoemde andere gemeenschapsschulden. Voor dat deel van de schuld was hij hoofdelijk aansprakelijk.

Ten aanzien van art.1:102 BW geldt overgangsrecht: op de hoofdelijke aansprakelijkheid die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de wet (1 januari 2012) terzake van gemeenschapsschulden door ontbinding van een gemeenschap is ontstaan, blijft het oude recht  van toepassing. Zie art. V lid 7 van de Wet van 18 april 2011 tot wijziging van de titels 6, 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen).

In de onderhavige zaak werd de ene echtgenoot (de vrouw) aangesproken door kennissen tot betaling van een som geld in verband met een ten tijde van het huwelijk door die kennissen aan de andere echtgenoot (de man) verstrekte geldlening.  In hoger beroep werd deze vordering toegewezen, onder verwijzing naar het bepaalde in art. 1:102 BW. Uit de uitspraak kon worden afgeleid dat het hof daarmee het oog had op art. 1:102 BW, zoals dat luidt sinds 1 januari 2012.

Het cassatiemiddel van de vrouw stelde onder meer de wijze van toepassing van art. 1:102 BW, zoals dat luidt sinds 1 januari 2012, aan de orde.

In dit verband klaagde de vrouw erover dat het hof de in art. 1:102 BW, tweede volzin genoemde beperking (“…met dien verstande dat daarvoor slechts kan worden uitgewonnen hetgeen hij uit hoofde van verdeling van de gemeenschap heeft verkregen, onverminderd de artikelen 190, eerste lid, en 191, eerste lid, van Boek 3…”) in het dictum van zijn uitspraak had moeten opnemen. Dit betoog verwerpt de Hoge Raad met de volgende overweging:

“3.3.6 (…) Het slot van de tweede zin (“met dien verstande …”) beperkt niet de toewijsbaarheid van de vordering tegen die echtgenoot, maar slechts de verhaalsmogelijkheden ter zake van die vordering. De rechter is daarom niet gehouden om, ook zonder dat daarom is verzocht, in het dictum die reeds uit de wet voortvloeiende beperking aan de toewijzing van de vordering te verbinden.”

Ter zijde constateert de Hoge Raad dat in cassatie niet aan de orde is gesteld de vraag of het hof het huidige art. 1:102 BW wel tot vertrekpunt van zijn beslissing had mogen nemen. In cassatie diende daarom van de juistheid van dat vertrekpunt te worden uitgegaan. Zie hierover nader de  conclusie van A-G Lückers vóór het arrest van de Hoge Raad, §§ 2.15- 2.17. De A-G gaf overigens een andere uitleg aan het middel en concludeerde tot vernietiging.

Volgt verwerping van het beroep.

Share This