HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834 (Eisers/Staat)

(1) ’s Hofs oordeel dat het NIFP-rapport, opgesteld naar aanleiding van het Alphense schietincident, niet als strafvorderlijk gegeven in de zin van art. 39f lid 1 Wjsg kan worden aangemerkt, is niet onjuist of onbegrijpelijk. (2) Ook een verbintenis uit de wet kan kwalificeren als rechtsbetrekking in de zin van art. 843a lid 1 Rv. (3) Art. 843a lid 1 Rv vereist niet dat degene tegen wie de exhitibievordering is gericht, partij is bij de rechtsbetrekking in kwestie.

Inleiding

Op 9 april 2011 vond in winkelcentrum De Ridderhof te Alphen aan den Rijn een schietincident plaats, waarbij zes doden en zestien gewonden vielen. In opdracht van het Openbaar Ministerie heeft het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP) onderzoek verricht naar de geestelijke gezondheidstoestand van de schutter (Tristan van der V., die zelf ook om het leven kwam) ten tijde van het incident.

In dit kort geding vorderen slachtoffers en nabestaanden van slachtoffers van het schietincident van de Staat afgifte van het NIFP-rapport, met een beroep op onder meer (i) de in art. 39f lid 1 Wjsg neergelegde bevoegdheid van het OM tot verstrekking van strafvorderlijke gegevens en (ii) de in art. 843a Rv neergelegde exhibitieplicht. Hun belang is volgens eisers gelegen in het feit dat zij de Staat en de politieregio Hollands Midden aansprakelijk hebben gesteld voor het schietincident. In de tegen de politieregio Hollands Midden aangespannen procedure verwachten eisers te worden belast met het bewijs van hun stelling dat de schutter geen wapenverlof had mogen krijgen. In dat kader zou volgens eisers de inhoud van het NIFP-rapport een rol kunnen spelen.

De Staat heeft afgifte van het rapport geweigerd met een beroep op onder meer (kort samengevat) de vertrouwelijkheid ervan.

Verstrekking strafvorderlijke gegevens ex art. 39f lid 1 Wjsg?

De voorzieningenrechter en het hof wezen de vordering op beide grondslagen af. Met betrekking tot het door eisers gedane beroep op art. 39f lid 1 Wjsg oordeelde het hof dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het NIFP-rapport is verkregen in het kader van een “strafvorderlijk onderzoek” in de zin van art. 1 sub b Wjsg. Daartoe achtte het hof van belang dat de Staat had gesteld, en eisers onvoldoende gemotiveerd hadden betwist, dat het NIFP-onderzoek (slechts) “verklaren”, “verwerken” en “voorkomen” – en dus geen strafvervolging – tot doel had.

De Hoge Raad laat dit oordeel, in navolging van de conclusie van A-G Langemeijer (sub 2.6-2.29), in stand. De klacht dat “elk onderzoek dat plaatsvindt in opdracht van het openbaar ministerie” zou kwalificeren als strafvorderlijk onderzoek in zin van art. 1 sub b Wjsg, faalt. De Hoge Raad wijst op de in art. 124 RO neergelegde, ruime taakstelling van het OM, die “niet tot strafvorderlijk onderzoek is beperkt”. Dit betekent dat “niet elk onderzoek” dat in opdracht van het OM plaatsvindt, kwalificeert als strafvorderlijk onderzoek in de zin van art. 1 sub b Wjsg (rov. 3.4.2). Voor het overige stuiten de klachten erop af dat in ’s hofs oordeel besloten ligt dat “niet aannemelijk” is dat het OM het NIFP-rapport heeft doen uitbrengen met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen jegens de (al overleden) verdachte (rov. 3.4.3).

Hiermee is niet gezegd dat het NIFP-rapport niet aan enig wettelijk regime is onderworpen of onbevoegd is opgesteld, zoals eisers betoogden. De Hoge Raad wijst in dit verband op de Wet bescherming persoonsgegevens (waarover ook de conclusie, sub 2.7 e.v.) en de uit rechtspraak van het EHRM voortvloeiende verplichting van de Staat om het in art. 2 EVRM verankerde recht op leven te beschermen door “effective official investigation” (rov. 3.4.4).

Exhibitie NIFP-rapport ex art. 843a Rv?

Ook het door eisers gedane beroep op de exhibitieplicht van art. 843a Rv verwierp het hof. Volgens het hof was niet voldaan aan het vereiste dat tussen eisers en de Staat een “rechtsbetrekking” in de zin van art. 843a lid 1 Rv bestaat. Ter onderbouwing overwoog het hof dat het wapenverlof door de Politieregio Hollands Midden was verleend en niet duidelijk was welk verwijt eiser c.s. de Staat in dit verband maken.

Op dit punt hebben eisers in cassatie wel succes. Het hof was uitgegaan van oudere, onder het vóór 2002 geldende regime van art. 843a Rv gewezen rechtspraak van de Hoge Raad (HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4877, NJ 2001/259). Daarin werd (nog) aangenomen dat voor een geslaagd beroep op inzage of afschrift van stukken is vereist dat tussen eiser en gedaagde een rechtsbetrekking bestaat. Sindsdien is art. 843a Rv uitgebreid (zie de conclusie, sub 2.36 e.v.) en heeft de Hoge Raad het daarin neergelegde begrip rechtsbetrekking gestaag ruimer opgevat (idem, sub 2.40). Inmiddels is een volgende herziening van art. 843a Rv aanstaande (idem, sub 2.41 e.v.). In de bij het betreffende wetsvoorstel bijbehorende toelichting is verduidelijkt dat zowel de wederpartij als derden gehouden kunnen zijn afschrift van bescheiden te verschaffen. De eis dat de aangesproken partij (ook) partij is bij de rechtsbetrekking waarop de stukken betrekking hebben, wordt dus niet (langer) gesteld.

Tegen deze achtergrond neemt de Hoge Raad afstand van zijn oudere rechtspraak, in navolging van A-G Langemeijer, die zich in zijn conclusie excuseerde dat eisers “onbedoeld verzeild zijn geraakt in een al lang lopende rechtswetenschappelijke discussie” (sub 2.45).

Hoge Raad: geen rechtsbetrekking tussen Staat en slachtoffers vereist

Na een weergave van art. 843a lid 1 Rv (rov. 3.6.2) stelt de Hoge Raad voorop dat, ook als aan de vereisten van dit artikellid is voldaan, de mogelijkheid bestaat dat de exhibitievordering wegens een functioneel verschoningsrecht (lid 3) dan wel wegens gewichtige redenen of omdat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd (lid 4), wordt afgewezen (rov. 3.6.3). Een en ander is van belang in verband met het door de Staat gedane beroep op een wettelijke geheimhoudingsplicht respectievelijk een belangenafweging, waaraan het hof in zijn bestreden arrest niet was toegekomen (vgl. de conclusie, sub 2.31).

Vervolgens verduidelijkt de Hoge Raad – zoals al wel door de wetgever, maar nog niet eerder door de Hoge Raad was uitgesproken (vgl. de conclusie, sub 2.36) – dat de voor toepassing van art. 843a lid 1 Rv vereiste “rechtsbetrekking” ook een verbintenis uit de wet kan zijn, dus bijvoorbeeld een verbintenis uit onrechtmatige daad (rov. 3.6.4).

Dan komt de Hoge Raad toe aan de centrale vraag of de aangesprokene onder art. 843a lid 1 Rv ook partij moet zijn bij de vereiste rechtsbetrekking. Volgens de Hoge Raad vloeit dat noch uit de tekst van (het huidige) art. 843a lid 1 Rv, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis ervan voort. Ter nadere onderbouwing wijst de Hoge Raad op de toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van art. 843a Rv, waarin zoals gezegd is geëxpliciteerd dat ook derden gehouden kunnen zijn tot exhibitie (rov. 3.6.5). Tegen die achtergrond kan volgens de Hoge Raad een vordering ex art. 843a lid 1 Rv worden ingesteld “tegen wederpartijen bij de in deze bepaling bedoelde rechtsbetrekking, en tegen derden die bij die rechtsbetrekking geen partij zijn” (rov. 3.6.6).

Het voorgaande betekent dat, anders dan het hof had geoordeeld, voor exhibitie van het NIFP-rapport, niet vereist is dat tussen eisers en de Staat een rechtsbetrekking bestaat. Er volgt daarom vernietiging en verwijzing.

De Staat is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk, en in feitelijke instanties door Willem Heemskerk.

Share This