HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1688 (Turner Raw Materials Intermediate B.V. / Attero Noord)

De wet voorziet niet in een rechtsmiddel tegen de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het strafproces. De civiele kamer van het gerechtshof heeft de benadeelde partij terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de strafrechter in eerste aanleg. De benadeelde partij kan ingevolge art. 361 lid 3 Sv haar vordering tot schadevergoeding voorleggen aan de burgerlijke rechter in eerste aanleg.

Vordering benadeelde partij in het strafproces

Voor slachtoffers van strafbare feiten bestaan twee verschillende rechtsgangen om schadevergoeding te verkrijgen. Zij kunnen hun financiële schade claimen bij de burgerlijke rechter via een reguliere actie uit onrechtmatige daad of zij kunnen zich als benadeelde partij voegen in het strafproces (art. 51f Sv). Zij kunnen hun vordering ook splitsen en een deel inbrengen in het strafproces en zich voor het overige wenden tot de civiele rechter (art. 51f lid 3 Sv).

De vordering benadeelde partij heeft ten opzichte van het strafproces tussen verdachte en OM een accessoir karakter. Dit blijkt onder meer  uit de ontvankelijkheidscriteria. Zo komt de mogelijkheid tot voeging slechts toe aan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit (art. 51f lid 1 Sv, zie ook art. 361 lid 2 onder b Sv). Verder kan de strafrechter de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren indien en voor zover de behandeling daarvan naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafproces oplevert (art. 361 lid 3 Sv) .

Rechtsmiddel tegen niet-ontvankelijkverklaring?

In de hier besproken zaak heeft Turner Raw Materials Intermediate B.V. (TRMI) zich als benadeelde partij gevoegd in een economische strafzaak. De strafrechter heeft TRMI niet-ontvankelijk verklaard, omdat de vordering van TRMI niet ziet op een strafrechtelijk verwijt. De ontvankelijkheid strandt dus op het vereiste van art. 361 lid 2 onder b Sv.

TRMI kan zich niet met de niet-ontvankelijkverklaring door de strafrechter verenigen. Een benadeelde partij kan echter in beginsel geen hoger beroep instellen tegen een vonnis van de strafrechter. Die mogelijkheid komt slechts toe aan de verdachte en het OM. Art. 421 Sv maakt hierop weliswaar een uitzondering ten gunste van de benadeelde partij, maar voorziet slechts in een rechtsmiddel na inhoudelijke beoordeling van de vordering benadeelde partij. In het strafproces staat dus geen rechtsmiddel open tegen een niet-ontvankelijkverklaring. De wet bepaalt in art. 361 lid 3 Sv wel dat in dat geval voor de benadeelde partij de weg naar de civiele rechter openstaat.

In deze zaak heeft TRMI desalniettemin hoger beroep in gesteld tegen het strafvonnis. Zij heeft dit gedaan bij de civiele kamer van het hof. Het hof heeft TRMI niet-ontvankelijk verklaard, onder verwijzing naar art. 361 lid 3 Sv, overwegende dat voor de benadeelde slechts na inhoudelijke afwijzing een rechtsmiddel openstaat. Het hof vervolgde:

“6.13 (…) De benadeelde partij van wie de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard staat desgewenst de gang naar de civiele rechter in eerste aanleg open; voor die rechtsgang gelden uiteraard de gewone vereisten voor een civiele procedure.”

Cassatie

TRMI heeft tegen dit oordeel tevergeefs cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad wijst erop de benadeelde partij ingevolge art. 421 Sv slechts een rechtsmiddel toekomt in het geval waarin de strafrechter een inhoudelijk afwijzend oordeel heeft gegeven.

“3.3.3 In de onderhavige zaak heeft de strafrechter in eerste aanleg de vordering van de benadeelde partij TRMI niet ten gronde afgewezen, maar TRMI – klaarblijkelijk op de voet van art. 361, lid 2 aanhef en onder b, Sv – niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, omdat de rechtbank van oordeel was dat de vordering tot schadevergoeding van TRMI niet was gebaseerd op het aan Attero gemaakte strafrechtelijk verwijt. Tegen deze beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring heeft de wet geen hoger beroep opengesteld. In een bijzondere appelmogelijkheid, zoals die van art. 421, lid 4, Sv behoeft ook niet te worden voorzien, nu zodanige niet-ontvankelijkverklaring de benadeelde partij niet berooft van de mogelijkheid haar vordering tot schadevergoeding aan de burgerlijke rechter voor te leggen.”

TRMI zal zich dus met haar schadevordering tot de civiele rechter in eerste aanleg moeten wenden.

Share This