Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Tegenbewijs tegen partij-verklaring in notariële akte kan ook inhouden dat onjuist is verklaard

CB 2016-92 Geplaatst op 18 mei 2016 door

HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:848 (Benu Nederland B.V. / verweersters)

De mogelijkheid om tegenbewijs (art. 151 Rv) te leveren tegen een notariële akte inhoudende een partij-verklaring (art. 157 lid 2 Rv) is niet beperkt tot de stelling dat ten overstaan van de notaris anders is verklaard dan in de akte is opgenomen. Het tegenbewijs kan ook betrekking hebben op de stelling dat de in de akte opgenomen verklaring niet overeenstemt met de werkelijkheid. 

Overname apotheken

Benu Nederland BV houdt zich bezig met de exploitatie van apotheken als enig eigenaar of als minderheidsaandeelhouder. Zij doet dit door aandelen te kopen in de vennootschappen die de apotheken exploiteren. Zo ook in de onderhavige casus, die betrekking heeft op twee apotheken in Den Haag. De overname verliep als volgt. Eerst heeft Benu alle aandelen van de oorspronkelijke exploitanten (vennootschappen A B.V. en B B.V.) overgenomen. Daarna heeft zij de aandelen op haar beurt overgedragen aan Holding C, waarvan verweersters beide voor 50% de aandelen hielden. De koopprijs was gelijk aan de door Benu aan A en B voldane koopprijs. Naast deze transactie stond een overeenkomst waarbij door Benu aan de Holding een bedrag van € 1.261.255,- als krediet werd verstrekt. Tegenover dat krediet stond, aldus Benu, dat zij van beide verweersters om niet 270 aandelen in de Holding verkreeg, hetgeen neerkwam op 30% van de aandelen.

In de notariële akte wordt deze betaling van € 1.261.255,- echter anders geduid, want daarin staat de volgende bepaling:

“De koopprijs voor de aandelen [in de ene vennootschap] bedraagt zeshonderd dertig duizend zeshonderd twaalf euro vijftig eurocent (€ 630.612,50) en de koopprijs voor de aandelen [in de andere vennootschap] eveneens zeshonderd dertig duizend zeshonderd twaalf euro vijftig eurocent (€ 630.612,50). Beide koopprijzen zijn volledig voldaan door storting op een van de kwaliteitsrekeningen van Hermans & Schuttevaer, notarissen, waarvoor kwijting bij deze.”

Benu heeft de genoemde bedragen voldaan, maar vordert deze nu op de voet van art. 6:212 BW terug, door van beide verweersters betaling van € 630.612,50,- te vorderen. Zij stelt zich op het standpunt dat deze betaling niet de koopprijs betrof, nu partijen niet bedoeld hebben dat Benu de aandelen zou kopen. De aandelen zouden haar immers, aldus Benu, om niet geleverd worden en het genoemde bedrag betrof het te verstrekken krediet uit hoofde van de kredietovereenkomst.

Bewijskracht notariële akte

De rechtbank heeft de vordering van Benu (of eigenlijk; van haar rechtsvoorganger Escura) afgewezen. Dit oordeel baseerde zij op art. 157 lid 2 Rv, waaruit volgt dat notariële akten ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs oplevert van de waarheid van die verklaring. Indachtig art. 151 lid 2 Rv overwoog de rechtbank dat tegen dit bewijs weliswaar tegenbewijs openstaat, maar dat Benu daartoe niet kon worden toegelaten

“omdat zij niet heeft gesteld dat zij bij de levering van de aandelen bij de notaris anders heeft verklaard, zodat de rechtbank voor waar aanneemt dat Escura bij de notaris heeft bevestigd dat de inhoud van de overeenkomst zoals beschreven in de notariële akte, juist was.”

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigt. Het hof passeerde het bewijsaanbod met een vergelijkbare redenering, namelijk omdat Benu niet heeft aangeboden te bewijzen dat zij bij de levering van de aandelen anders heeft verklaard dan in de akte is opgenomen.

Tegenbewijs: bewijs dat verklaring anders was of (ook) dat verklaring onjuist was?

In cassatie klaagt Benu dat het hof op onjuiste gronden aan het bewijsaanbod voorbij is gegaan, omdat zij op grond van art. 151 lid 2 Rv de gelegenheid had moeten krijgen te bewijzen (niet zozeer dat zij anders had verklaard dan in de akte is weergegeven, maar) dat de betreffende verklaring niet strookte met de werkelijkheid.

De Hoge Raad volgt Benu hierin. Na te hebben overwogen dat een authentieke akte ten aanzien van een verklaring van een partij dwingend bewijs oplevert van de waarheid van deze verklaring en dat daartegen tegenbewijs openstaat, overweegt de Hoge Raad:

“3.4.1 (…) De mogelijkheid tegenbewijs tegen de akte te leveren is niet beperkt tot de stelling dat anders is verklaard dan in de akte is opgenomen. Het tegenbewijs kan ook betrekking hebben op de stelling dat de in de akte opgenomen verklaring niet overeenstemt met de werkelijkheid.”

In rov. 3.4.2 memoreert de Hoge Raad vervolgens aan het partijdebat over (de strekking) van de betaling van het in de akte genoemde bedrag en merkt op dat de stelling van Benu erop neerkomen “dat haar verklaring in de (…) passage in de notariële akte niet waar is.” Die stelling is voldoende om tot tegenbewijs te worden toegelaten en daarvoor was dus niet vereist dat zij stelde (en ten bewijs zou aanbieden) dat zij bij de notaris anders had verklaard dan in de akte was opgenomen.

A-G Wissink concludeerde op dit punt tot verwerping. Hij las in het arrest dat het hof geoordeeld had dat Benu bij de notaris heeft bevestigd dat de leveringsakte de rechtsverhouding juist weergaf en dat hij daartegen geen gericht bewijsaanbod heeft gedaan. Daarom behoefde “onderzoek naar een eerdere overeenkomst (verkrijging om niet van de aandelen in verband met een aan de Holding te verstrekken lening) niet meer plaats (…) te vinden” (par. 3.17).

Pyrrusoverwinning

Het slagen van deze klacht is echter een Pyrrusoverwinning voor Benu. Het hof had namelijk ten overvloede geoordeeld dat de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling was verjaard (art. 3:310 BW). Benu heeft ook deze klachten bestreden, maar deze zijn met toepassing van art. 81 RO verworpen.

email print